Opinie

Zoeken we extra troost bij dieren, nu we allemáál gekooid zijn?

Dierentuin De kloof tussen mens en dier is nog te overbruggen, denkt Arjen van Veelen tijdens een bliksembezoek aan een verlaten Diergaarde Blijdorp.

Illustratie Nanne Meulendijks

De tijgerin blijft anderhalve meter voor mijn neus staan. Met wijdopen ogen staart ze me aan. Alia, zo heet ze. Opeens dook ze op vanuit het bamboe, ik hoorde het geritsel niet eens. Al tientallen keren heb ik haar gezien, maar voor het eerst kijkt ze ook naar mij.

En hoe. Groengouden knikkers in een vuurzee van pluche. Een focus die me bijna in verlegenheid brengt.

Verbouwereerd, lijkt ze wel – alsof ze voor het eerst een mens ziet.

Ze heeft dan ook bijna geen mens gezien de laatste tijd. Diergaarde Blijdorp heeft vanwege het virus de poorten gesloten. De laatste keer dat zoiets gebeurde was tijdens de oorlog, een paar dagen. Nu ben ik de eerste en enige bezoeker sinds bijna een maand. Ik voel me Adam en Eva tegelijk.

Tot voor kort kwam ik hier bijna wekelijks, ik miste deze stadsoase dusdanig, dat ik laatst met mijn zoontje van vier langs het hekwerk ben gaan lopen, turend door het gaas en het groen. We zagen flamingo’s, een ooievaar. Een glimp van een neushoorn. We snoven de geur van amoerpanterpoep (denk ik). Maar hoe zou het staan met de okapi? Waren de pinguïns aan het dansen nu er niemand toekeek?

We leken wel gek, maar we waren zeker niet de enigen. Er liepen gezinnen maar ook enkelingen bij de ingang, als hunkerende junks. Blijdorp is normaal gesproken de best bezochte dierentuin van Nederland. En nu de best bekeken dierentuin, aldus de woordvoerder. Maar de streams en vlogs op #ondertusseninblijdorp wakkeren de begeerte juist aan.

Of zoeken we extra troost bij de dieren juist nu we zelf gekooid zijn, voelen we een voet van gelijkheid nu verzorgers in blauwe en oranje pakken van de Appie en Thuisbezorgd ons bijvoederen? Bij het hek sprak ik een man die meende aan de flamingokolonie te kunnen zien dat de geleewiekte vogels zich veiliger voelden nu de mensenmassa weg was. Ze durfden te gaan liggen, zei hij, normaal staan ze allemaal rechtop. Nogal wiedes, hoorde ik later van de dierentuin, het is broedseizoen, vandaar dat ze nestelen.

Er gingen wel meer van dat soort verhalen. De grote panda’s in een Hongkongs dierenpark die voor het eerst in tien jaar weer onbekommerd seks hadden. Of over huppelende coyotes in Chicago, trippelende reeën in hartje Londen. Te mooi om allemaal waar te zijn, die verhalen, maar ze onthulden wel onze wens: dat al de ellende ergens goed voor is. Dat wij, rusteloze sapiens, dan misschien huisarrest hebben, maar dat de dieren dan tenminste uit hun schulp kruipen.

Maar toch, de tuinvogels in de eigen wijk – kwinkeleerden ze niet twee keer zo hard als vroeger? Dus ik belde de dierentuin, of ik voor één keertje naar binnen mocht. Een stille oase vol onbevangen dieren – leek me.

Alleen een bliksembezoek van een uur zat erin, onder strenge veiligheidsvoorwaarden. De woordvoerder temperde mijn verwachtingen. De dieren deden niet anders. En de tuin zelf was zeker een oase, maar niet echt stil. De dierentuin is geen pretpark of museum die je even op slot gooit, wie geeft anders de olifanten te eten? Achter de gesloten hekken werd zeven dagen per week gewerkt aan natuurbehoud. De kleine panda’s hadden een jong. De zwarte neushoorn was drachtig. Internationale fokprogramma’s liepen gewoon door. De dierentuin was helemaal niet dicht.

Dat bleek. Nog maar een paar stappen in het paradijs telde ik al drie fietsen en een golfwagentje. De technische dienst, de botanische dienst, de dierverzorgers – spitsuur. Normaal mogen ze overdag niet fietsen, net zoals er bij een theatervoorstelling geen toneelknechten in beeld komen.

In de Chinese sfeertuin, nabij de ingang, trof ik tuinman Rick, drukdoende met het wegknippen van afgestorven blad. Ook als niemand het zag, diende dit paradijs piekfijn te worden bijgepunt. Afgelopen weken was de tuin juist op zijn mooist, vertelde hij met de heggenschaar in de hand. De stermagnolia bloeide, de kersenboom, de papierstruik – nu is het hele vuurwerk al aan het uitdoven, niemand die het zag, geen camera die klikte. De paden waren zo leeg dat het onkruid opkwam. De primula’s bloeiden volop, ja, maar zonder oh’s en ah’s.

Lees ook het dubbelinterview met Kees Moeliker en Marijn Frank: ‘Mensen zijn wel even wat anders dan dieren’

„Het is zeker een paradijs”, beaamde Rick, „maar je wilt je paradijs toch ook graag aan de mensen laten zien.”

Ik wandelde verder met de goedgemutste Janno Weerman, hoofd Dier & Plant. Hij werkte in het verleden als verzorger van bijna alle dieren, van olifanten tot roofdieren. Hij kon mooi mijn dierentolk zijn. Hij was tevens internationaal stamboekhouder van het kuifhert en de kleine panda – twee bedreigde diersoorten waar Blijdorp een succesvol fokprogramma voor heeft opgezet.

„Echt ander gedrag bemerken we niet”, zei Weerman. „Het zou ook wel gek zijn als de dieren nu meer of juist minder gestresst zijn, dan doe je iets niet goed.” Maar dieren reageren wel veel meer op mensen, zei hij. „Normaal loopt er duizend man aan ze voorbij, nu zie je ze echt wel verbaasd staan kijken van: ‘oh, wat gebeurt er?’ of ‘hé, daar loopt iemand’. Maar dat is eigenlijk het enige verschil.”

Geen gering verschil, merkte ik al meteen bij het kuifhert. Het mannetje keek ons vanuit de bosjes aan met alerte zwarte knikkeroogjes. Zijn lijf zo stil als een beeldhouwwerk.

„Hé, daar loopt iemand”, vertaalde Weerman.

Ik voelde me spectaculair opgemerkt. Gezíén.

Dieren die ons opmerken – dat vervult een oerbehoefte. Mensen gaan niet naar de dierentuin om dieren te zien, ze willen zelf gezien worden door de dieren. Dieren lijken meestal luie goden, onverschillig over het mensdom. Daarom tikken we desperaat tegen glas, daarom klakken we met onze tong als idioten. Vergeefs. Geef ze eens ongelijk, de dieren. Zouden we zelf nog een wenkbrauw optrekken als er dag in dag uit duizenden orang-oetans voor ons raam stonden te zwaaien en te tikken?

Ook nu gaven sommige dieren geen sjoege, de gelada’s bleven stoïcijns. De kleine jonge panda wierp alleen een vluchtige blik. Maar voor de rest zou ik zou toch zweren dat het gonsde en kwetterde in de tuin: daar loopt een mens! Komt dat zien, er is een mens in aantocht, ontsnapt uit zijn mensenverblijf!

Illustratie Nanne Meulendijks

De vosmangoest, familie van het stokstaartje, leek starstruck door onze komst. Zelfs de ingedutte Indische neushoorn hief de zware kop een paar centimeter. Bij de uitgang gingen alle flamingo’s staan als ovatie. Het was alsof ze me gemist hadden, ik was de attractie. De giraffen staakten zelfs hun hoogwerkersarbeid en schommelden de hele savanne over, naar ons toe.

„Hé, valt er wat te halen?”, tolkte Weerman.

Mensen bezoeken de dierentuin om herinneringen wakker te kussen. Dubbele nostalgie drijft ons: we zoeken onze eigen kindertijd op, maar ook de kindertijd van de mensheid, het paradijs waar mens en dier onafscheidelijk waren.

De homo sapiens moest zonodig het wiel uitvinden en de wekker en Netflix. Hij vervreemdde zich van de andere dieren. Zonderde zichzelf af in rusteloze, stressvolle, onnatuurlijke steden. Daar voelt hij zich soms alleen en onbegrepen. Het mensenbeest zit vast, „gevangen door zijn eigen slimme schittering”, zoals bioloog Desmond Morris schrijft in The Human Zoo (1969).

Niet gek dus, die heimwee naar vroeger. Vandaar dat we de neus tegen het glas drukken: ken je me nog?

„De dierentuin kan alleen maar teleurstellen”, schreef de Britse schrijver John Berger in Why look at Animals? (1977). We riepen dierentuinen in leven juist op het moment dat we de dieren op grote schaal uit onze levens en steden begonnen te verjagen. Dat was in de negentiende eeuw, toen de industrialisatie begon. We gingen dieren toen als dingen zien, schrijft hij. Grondstoffen. Het waren niet langer levende wezens, niet de „medereizigers”, zoals Rudy Kousbroek ze noemde.

Dieren stopten we in vleesfabrieken. De blik van lotsverbondenheid raakte dof. En dan denken we in dierentuinen alles goed te maken? Vergeefs, schrijft Berger. De dieren zijn niet gek, hun staar flikkert hooguit even op en daarna kijken ze weer dwars door ons heen. „De dierentuin, waar mensen heen gaan om dieren te ontmoeten, te observeren, te zien, is in feite een monument voor de onmogelijkheid van zo’n treffen.”

Aan die woorden denk ik in een verlaten Blijdorp, op weg naar de tijgers. Bijna overal voel ik de warme volgspot van allerlei dierenogen op mijn lijf.

Kunnen we dieren écht niet ontmoeten? Zijn we onherroepelijk uit het paradijs verdreven?

Nee, de deur is niet dicht. John Berger schreef dit een halve eeuw geleden, toen dierentuinen nog een soort musea waren waar dieren als verzamelobjecten in kale kooien werden tentoongesteld. Het beton was soms beschilderd als jungle, maar het bleef even hard. Sindsdien veranderden kooien in biotopen. Een tijger kan nog steeds niet ontsnappen, nee, maar heeft nu wel schaduw, een riviertje, struweel om zich te verstoppen voor de kijkers.

Denk je eens in: het Rijksmuseum dat een gordijn hangt voor de Nachtwacht, zodat het schilderij ook privacy heeft? Weerman vertelde me dat bezoekers soms mopperen dat ze het dier nu niet kunnen zien. En Blijdorp is zeker niet heilig, erkent hij. Maar het dierenwelzijn staat boven kijkgenot van bezoekers.

Dat is meer dan alleen een beter gecamoufleerde kooi; ons denken over dieren kantelt: dieren zien we weer langzaamaan als levende wezens, in plaats van grondstoffen. Ook een mier kent vrijheidsdrang, weten we inmiddels, en een okapi kan behoefte hebben aan zelfontplooiing.

Sommige denkers zijn er zelfs van overtuigd dat oude sprookjes kloppen: we kunnen met dieren praten, als we maar ons best doen. Zoals filosoof Eva Meijer. In haar boek Dierentalen pleit ze ervoor om dieren weer als volwaardige gesprekspartners te zien. Zo idioot is dat trouwens niet, praten met dieren, zei ze in een interview in de Volkskrant. „De meeste mensen weten wat het is om met hun huisdier te communiceren.” Inderdaad, ik praat ook hardop met mijn kat.

Het lijkt me in elk geval een uitstekend moment om weer met dieren te gaan praten, nu Covid-19 het zaallicht heeft gezet op de lotsverbondenheid tussen mens en dier.

De kloof moet overbrugd. Dat vraagt meer van ons dan op het glas tikken.

Volgens de gangbare mythologie werd de mens uit het paradijs geschopt als straf voor een hap uit een appel. Maar het ging natuurlijk anders. De mens werd niet weggejaagd, hij heeft het paradijs zelf verdreven: de bossen gekapt, de zeeën leeggevist, kortom, al ons eigen geklooi.

En nee, je hoeft heus niet te geloven dat het virus een straf van God is om te constateren dat het een gevolg is van onze daden. Wetenschappers voorspellen dat virussen vaker zullen overspringen van dier naar mens, zolang we leefgebieden blijven kappen. Geen hap uit een appel, maar miljarden reusachtige happen, van mijnen tot wet markets en legbatterijen.

Als we willen dat de dieren ons weer vrolijk aankijken, moeten we minder consumeren. Zo simpel is het. Er loopt een uitstekend traceerbare lijn tussen, zeg, de palmolie in je shampoo en pindakaas naar de bossen die gekapt worden op Sumatra, waar de tijgers waarschijnlijk zullen uitsterven, zodat je het dier straks alleen nog kunt zien in de Diergaarde.

En het dier heeft vandaag de ogen strak op ons gericht. We staan inmiddels bij het tijgermannetje. Hij heeft een sluiphouding aangenomen, maakt zich klein tegen de grond, volledige focus.

„Zo, die denkt ook: er is iemand, eindelijk!”, vertaalt Weerman.

Misschien kijkt hij wel helemaal niet naar mij, maar reageert hij op het oranje Blijdorp-shirt van Weerman. Misschien denkt hij wel: vlees. Is de kloof overbrugd?

Waarom niet, wat is een tijger meer dan een grote kat. In elk geval is dit een ontmoeting. En misschien wil deze tijger wel wat zeggen.

Lees ook: Elke soort kan uitsterven – de mens dus ook

Weerman is niet van het moraliseren. „Maar het zou mooi zijn als mensen beseffen dat de manier waarop we nu leven niet houdbaar is, met een economie die alleen op groei is gericht, met hulpbronnen die we uitputten – terwijl de planeet waarop we wonen nu eenmaal niet kan groeien.”

Vrij vertaald: we moeten stoppen ons hok steeds kleiner te maken.