Recensie

Recensie Boeken

In deze roman is de natuur een personage — en uit op wraak

Jean Giono In zijn debuutroman uit 1929 is de natuur het personage. Als lezer word je daardoor meegesleurd in de onherbergzame Zuid-Franse heuvelkammen.

Foto Stefan Neuwirth

Een paar mannen liggen onder een eik een dutje te doen. ‘Ze worden gewekt door de stilte. Een vreemde stilte. Dieper dan gewoonlijk; stiller dan de stiltes die ze gewend zijn. Iets is ervandoor gegaan; er is een lege plek in de lucht.’ Ze kijken om zich heen, bestuderen het rauwe landschap van de Bastides Blanches, een gehucht diep in de Provence, het land van de wind, de veldslang, het everzwijn, de lavendel, de eekhoorn en de wezel. Ze kijken zoekend naar de olijfbomen, de rode aarde, de bloeiende orchis, de eg, de ploeg, de wanmolen. Dan zien ze het: de oude fontein is gestopt met stromen.

Dat de bron ineens is opgedroogd is maar één van de omineuze voortekenen, een van de sluipende bedreigingen die op de dertien inwoners van het gehucht afkomen: de oudste ligt op sterven, de jongste is ernstig ziek, net over de heuvel verspreidt een bosbrand zich met razende snelheid in de richting van hun huizen.

In de heerlijke, kleine roman Heuvel van Jean Giono (1895-1970) is alles zintuig, oog en oor. De natuur is personage, ook in de vertaling van de onvolprezen Kiki Coumans. Hitte-nevel scheurt open, een dorp zit ‘als sierduiven op de schouder van een heuvel’. Bossen dansen, de geur van kamperfoelie en brem stroomt in grote golven. Beken zijn overwoekerd door sneeuwballen en bramen. Als je je ogen sluit bén je als lezer even in die ook nu nog onherbergzame Zuid-Franse heuvelkammen.

Heuvels vol messteken

Maar nu wordt er hier iets onzichtbaars voelbaar. De ‘grote kracht van de dieren, de planten en de stenen’ laat zich gelden. De heuvel die vol ‘wonden, messteken en houwen van bijlen’ zit, ‘richt zich op’, ze ‘golft als een juk’, ze ‘zal ons hoofd verpletteren’. De natuur en de mens raken in een krachtmeting verzeild, oerkrachten komen boven.

Ook die dreiging beschrijft Giono zintuiglijk: het gras rilt, onrust ontkiemt als een van de personages met zijn spade op ‘het gezicht van de aarde’ stuit. Een ‘overrompelde hagedis’ schiet weg. Er klinkt gekerm dat ‘zijn striemende lichaam door het vlees van het huiverende huis’ duwt.

Wat de personages de natuur hebben aangedaan, behalve op haar heuvels graan te laten wuiven en het fruit van haar bomen te plukken, blijft onduidelijk. De mannen drinken zelfgemaakte absint, roken pijp, vrouwen maken het eten klaar. Maar wie uit angst ‘in zijn huis opgesloten zit’, interpreteert alles als een teken van onheil. Ook de kat als die plotseling uit het moerbeibosje komt of plotseling op de vensterbank springt. De personages van Giono moeten niets hebben van de stad: ‘Wat van de stad komt, is slecht’, de wind brengt regen en de postbode komt met doodsberichten.

In Heuvel schurkt Giono, dé schrijver van de Provence, tegen het pantheïsme aan; het goddelijke is alomvattend, omringt zowel mens, dier als de natuur.

Giono werd geboren in Manosque, een middeleeuws stadje in de vallei van de Durance, dat zijn beroemde schrijver – met acht dikke delen in de Pleïade – eert met een museum. Dat hij vijftig jaar geleden stierf is dit jaar aanleiding voor exposities en festiviteiten in heel Frankrijk.

Heuvel is Giono’s debuut uit 1929. In haar essay Giono, furioso probeert Emmanuelle Lambert het clichébeeld van Giono te corrigeren: volgens haar was hij niet de schrijver die van mensen, van dieren, van de natuur hield, gevormd door de Provençaalse rode aarde. Veel dieper gingen zijn herinneringen aan de gruwel van de loopgraven, aan het ‘gesmolten metaal’ van de oorlog, die van hem een pacifist maakten; aan de menselijke hardheid en het dorre landschap. Die elementen zitten zeker ook in zijn debuut. Maar met de heuvel wordt vrede gesloten en na de brand gaat het leven door.

Dat hoopvolle thema vind je ook in het korte verhaal waarmee Giono een ecologisch en humanistisch icoon werd, De man die bomen plantte (1953). Uitgeverij Jan van Arkel publiceerde in 2017 nog een mooie editie in de vertaling van Ernst van Altena. Een schapenhoeder plant iedere dag een groot aantal eikels. Hij is alleen, zijn zoon en vrouw zijn overleden. Hij ziet dat het land sterft vanwege een gebrek aan bomen. In drie jaar plant hij er honderdduizend, zijn hele leven blijft hij bomen planten. Decennia later stroomt het water weer uit de oude bronnen, hebben jonge mensen de ruïnes gerestaureerd tot gepleisterde boerderijen en zijn de dorpen gevuld met jonge gezinnen. Er wordt opnieuw gelachen en gefeest.

Ook in Heuvel wordt er uiteindelijk weer absint gedronken op de stenen rand van de fontein en ‘danst de fles op het frisse water van de drinkbak’.