Recensie

Recensie Boeken

De verborgen ondergrondse wereld van ratten en ‘rioolvruchten’

Ontdekkingsreizen In zijn zeldzaam meeslepende boek daalt de Amerikaan Will Hunt af in catacomben van moderne steden en de mysterieuze grotten van onze voorouders.

Voor zijn boek bezoekt Will Hunt onder meer deze grot in West Virginia.
Voor zijn boek bezoekt Will Hunt onder meer deze grot in West Virginia. Foto Will Hunt

Het luchtruim is gesloten, de grenzen zijn gesloten, waar kunnen we nu nog naartoe? Er zit niets op dan verder in te keren – misschien op de wijze van William Lyttle. Deze civiel ingenieur te Londen besloot, rond 1960, even een wijnkeldertje aan zijn kelder te graven. Veertig jaar later kwam hij weer boven uit een ondergronds tunnelnetwerk met gangen van wel twintig meter.

Over dergelijke zonderlingen en hun gegraaf wereldwijd – ‘tunnelaars’ of ook wel ‘molmensen’ genaamd –, schrijft Will Hunt in het zeldzaam meeslepende boek Ondergronds. Een kleine geschiedenis van de verborgen werelden onder onze voeten. En daarnaast over grotten en catacomben; schimmels en schimmen.

De Amerikaan Hunt, zelf sinds een toevallige ontdekking van een tunnel in zijn jeugd in de ban van de ondergrondse wereld, heeft er ruim tien jaar lang de wereld voor bereisd en zich daarnaast al lezend en studerend in het onderwerp verdiept. Dit boek is de weerslag van al die naspeuringen, waarbij hij ‘boven alles [...] gefascineerd [was] door de dromers, visionairs en excentriekelingen’ die zich bezighielden met de ondergrondse wereld. Van mijnwerkers tot sjamanen, van ‘urban explorers’ (mensen met als hobby onder steden rondneuzen) tot wetenschappers, zoals microbiologen en archeologen. Hunt vermengt zijn persoonlijke zoektocht met feiten, verhalen en mythologieën.

Van onder onze voeten vandaan, stelt hij, klinkt voor de mens een eeuwige lokroep. Het duister wekt angst, maar ook betovering: denk aan de bodemloze put in sprookjes, of het geheime besloten binnenste van een tempel. Behalve op ratten en ‘rioolvruchten’ (jargon voor drollen) stuit Hunt onder de grond op mysterieuze sporen van onze voorouders, soms duidelijk religieus van aard, soms niet goed te duiden. Hij legt handige verbanden, bijvoorbeeld tussen een ondergrondse mensenstad in Turkije en de indeling van een mierennest waarvoor hij dan speciaal een mierenonderzoeker opzoekt. Als hij tot schrik van wat voorbijgangers in Parijs na een driedaagse ondergrondse reis van Zuid naar Noord stinkend en wel uit een put kruipt, brengt hem dat het verhaal van Phaëton in gedachten, uit de klassieke mythologie. Die reed met de zonnewagen zo dicht langs het aardoppervlak dat er een gat in schroeide. Mensen konden over de rand ineens het dodenrijk in kijken, waar Hades en Persephone tussen de ‘brandende meren’ oogknippend op de troon zaten.

Ondergronds is een boek als een ontdekkingsreis, op elke pagina staat wel iets wat je paf doet staan. Hunt heeft een heerlijke, vaak geestige schrijfstijl. Met veel goed gekozen details over hoe het ruikt, klinkt en voelt onder de grond – bijvoorbeeld in een hete doorgang waar hij zich maar net doorheen kan wurmen – is het ook een spannend reisboek: ‘Zelfs de kleinste tocht door een tunnel of een grot voelde als een ontsnapping naar een parallelle realiteit, zoals de personages in kinderboeken via poorten naar geheime werelden verdwijnen.’ Dit gevoel weet hij heel goed over te brengen.

Is het leven op aarde ooit onder de grond begonnen? Volgens Hunt zou dat heel goed kunnen: ‘Microbiologen hebben steeds dieper in de aarde leven ontdekt, in steeds oudere watervoorraden, die misschien wel een miljard jaar oud zijn.’ Met een dergelijk team bereikt hij, in een oude goudmijn, de diepste diepte in het boek: 1.480 meter. Dat is in South Dakota, in het gebied waar oorspronkelijk de Lakota woonden. Ook hun cultuur zat vol ondergrondse rituelen, waar een nazaat Hunt een glimp van op laat vangen. Net als bij de Maori met hun okergrotten, die Hunt ook bezoekt. ‘Van de bedompte gangen onder moderne steden ging ik naar oudere en ruigere ondergrondse ruimtes, en tenslotte naar de prehistorische duisternis van natuurlijke grotten.’

Lees ook: ‘Nu pas wordt ontdekt dat de aardkorst het grootste terra incognita is’

Hunt keert zich niet alleen tot het binnenste van de aarde, maar uiteindelijk ook tot zichzelf. Wat doen al die lange verblijven in de duisternis met de menselijke psyche? Raak je er doorgedraaid en van het pad af, of juist verlicht, herboren? Ook hiernaar verrichtte Hunt grondig onderzoek, wat er uiteindelijk op uitdraait dat hij zich een etmaal in afzondering ondergronds laat opsluiten. Zonder zaklamp. Dit is in West Virginia, in de Appalachen.

De toon in dit laatste deel van het boek wordt dan erg lyrisch, en wat Hunt ontdekt liegt er niet om: ‘Ik ontmoette God niet als een bulderende stem uit de wolken, maar [...] in de omhelzing van het verborgene, een erkenning van zekere donkere diepten waarvan we de kracht altijd zullen voelen, ook al zullen ze misschien nooit zichtbaar zijn.’ Dat laatste voert misschien wat al te ver en te diep.