Foto Lars van den Brink

Interview

‘Feut, kom jij uit een stijgingsmilieu of een sprongmilieu?’

Frederik Heemskerk Hij komt uit een premiersgeslacht. Over hen schreef hij een indringende familiegeschiedenis. „Hij was bang voor de gruwelijke maatregelen van zijn eigen vrouw.”

Het overkwam hem eind jaren vijftig van de vorige eeuw toen hij als aankomend student de groentijd liep bij het Leidse corps. Een ouderejaars vroeg op dwingende toon: „Feut, kom jij uit een stijgingsmilieu of een sprongmilieu?” Frederik Heemskerk had geen idee waar dit op sloeg, maar haalde zijn eigen familieomstandigheden voor de geest en antwoordde bedremmeld: „Ik geloof een dalingsmilieu, meneer.”

Frederik Heemskerk, achterkleinzoon van Jan Heemskerk die in de tweede helft van de negentiende eeuw tweemaal premier was, kleinzoon van Theodoor Heemskerk die het begin twintigste eeuw eveneens tot premier bracht, en zoon van Frits Heemskerk een door depressies achtervolgde advocaat, begint zijn boek over de ‘opkomst en teloorgang van het premiersgeslacht Heemskerk’ met deze anekdote. „Toen ik dat antwoord gaf, voelde ik inderdaad een beetje de neergaande lijn in de familie”, zegt hij. „Het was geen obsessie hoor. Ik heb me ook niet gehandicapt gevoeld. Er was, behalve een enkele specifiek geïnteresseerde, nooit iemand die over mijn voorvaderen begon.”

Frederik Heemskerk (Bussum, 1939) is gepensioneerd jurist. Na zijn studie in Leiden en een stage bij een advocatenkantoor in Rotterdam ging hij in Amstelveen als manager voor de KLM werken. Voor dit bedrijf was hij drie jaar gestationeerd in Kenia. In 1980 werd hij officier van justitie in Amsterdam. Daarna was hij vijftien jaar lang secretaris van de Orde van Advocaten. Vanaf 2001 tot aan zijn pensioen zat Heemskerk als raadsheer bij het Gerechtshof in Den Haag.

Jan was aanvankelijk een vrijzinnig liberaal uit de tijd van Thorbecke. Zoon Theodoor behoorde tot de Anti Revolutionaire Partij en had veel te maken met Abraham Kuyper. Twee namen uit de Nederlandse politieke geschiedenis die nog wél enigszins tot de verbeelding spreken. Interessante overeenkomst: Jan Heemskerk had grote problemen met Thorbecke, Theodoor Heemskerk kon op het laatst niet meer door één deur met Kuyper. Het staat allemaal uitvoerig beschreven in het boek van Frederik Heemskerk.

Het gesprek moet vanwege de beschermende maatregelen rondom het coronavirus noodgedwongen telefonisch gevoerd worden. Nee, via een videoverbinding hoeft niet. Liever niet zelfs. „Ik ben nogal auditief ingesteld”, zegt de 80-jarige in Baarn wonende gepensioneerde jurist. Nu is hij boekenschrijver. Iemand die na zijn in 2015 goed ontvangen boek over de zuiveringszaak tegen de als gevolg van de Tweede Wereldoorlog omstreden Concertgebouwdirigent Willem Mengelberg de smaak van het schrijven te pakken kreeg.

Waarom een boek over uw voorvaderen?

„Dat komt door de historicus Cees Fasseur met wie ik bevriend was. Die bond mij in de jaren negentig op het hart een boek te schrijven over mijn grootvader Theodoor Heemskerk, minister van Justitie en voorzitter van de ministerraad. Het begrip minister-president kenden we toen nog niet. Fasseur werkte toen op het ministerie van Justitie en daar hing, zoals hij zelf zei, een jolig ogende foto van hem. Mijn grootvader was een biografie waard, vond hij.”

Die biografie is er niet gekomen.

„Nee, maar net als over mijn overgrootvader Jan is er wel een proefschrift over hem verschenen. Maar zo’n proefschrift is gebonden aan wetenschappelijke kaders. Zowel het proefschrift over mijn overgrootvader als dat over mijn grootvader had daarom het rechtlijnige, het schoolse. Ik wilde echt een verhaal schrijven over beide heren.”

Maar dit boek gaat ook over uw vader, de zoon van Theodoor.

„Dat had ik mij niet uitdrukkelijk voorgenomen. Ik heb ooit wel eens een verhaal over mijn vader gemaakt met alle intimiteiten die erbij horen maar dat heb ik alleen mijn meest nabije familie laten lezen. Onwillekeurig heeft mijn vader zich in het beeld van grootvader Theodoor en overgrootvader Jan gedrongen. Zodoende zijn ze alle drie in elkaars verlengde komen te liggen en is het een verhaal met meer dimensies geworden.”

Van vader op zoon, heet het boek van Frederik Heemskerk. Aanvankelijk had hij de nadruk willen leggen op grootvader Theodoor, de politicus van de Anti Revolutionaire Partij die van 1908 tot 1913 minister van Justitie annex voorzitter van de ministerraad was en het justitie-ministerschap van 1918 tot 1925 prolongeerde. Naar hem ging Frederiks persoonlijke voorkeur uit, maar tijdens het schrijven kreeg hij steeds meer waardering voor Jan, de vader van Theo. Hij concludeert in het boek dat Jan, ondanks de vele tegenstellingen die er eind negentiende eeuw heersten, ervoor heeft gezorgd dat het land toch geregeerd werd. „Hij was allerminst een dogmaticus, godsdienstig noch politiek maar ontpopte zich gaandeweg als een echte realpolitiker.”

Kritischer laat hij zich uit over zijn grootvader Theodoor, die volgens hem onvoldoende had gedaan om zijn conflict met Abraham Kuyper bij te leggen. De eigenzinnige oprichter van de ARP en informele aanvoerder van de gereformeerde zuil die van 1901 tot 1905 een kabinet geleid had, voelde zich tijdens de kabinetsformatie van 1908 gepasseerd door partijgenoot Heemskerk en daarmee politiek buitenspel gezet. Het leidde tot een jarenlange vete.

Hij miste de buigzaamheid van zijn vader zegt u eigenlijk.

„Dat is het opmerkelijke. Hij kon als minister ontzettend goed omgaan met de Kamer. Hij wist altijd alles vrij luchtig en met grapjes een draai te geven. Maar met zo’n drammer als Kuyper die echt een rancune tegen hem had ontwikkeld kon hij niet overweg. Ik schrijf in mijn boek dat Nederland later succesvolle premiers heeft gekend doordat die minder principieel en aanzienlijk vindingrijker waren. Hierbij dacht ik aan Lubbers en Rutte. Theodoor was meer een Prinzipienreiter die te veel aan zijn eigen gelijk hechtte.”

In het boek zet Frederik uitvoerig uiteen dat de basis van het conflict al in 1901 werd gelegd toen Theodoor weigerde als minister van Binnenlandse Zaken tot het kabinet Kuyper toe te treden. Die weigering had alles te maken met Theodoors zeventien jaar jongere tweede vrouw, Lydia Zaremba. Zij kwam uit een Pools-Russische familie en had piano gestudeerd aan het conservatorium in Sint-Petersburg. Lydia had zich al eerder beknot gevoeld door de politieke activiteiten van haar man. Zo was haar musiceren in het openbaar, als ‘vrouw-van’ bijvoorbeeld niet gegund.

Wanneer je een historisch boek schrijft moet je niet psychologiseren

Frederik Heemskerk

Toen zij tijdens een vakantie zonder Theodoor in Zwitserland hoorde dat Kuyper haar echtgenoot als minister had aangezocht met de woorden dat hij ‘met Gods eigen vinger was aangewezen’, liet zij hem telegrafisch weten dat Kuyper ‘ein Lügner’ was. Een dag later schreef zij Theodoor: ‘Mijn familie, mijn kerk, mijn taal, mijn muziek, alles heb ik al aan jou opgeofferd. Zal ik nu ook nog eens beroofd worden van het laatste dat mij nog rest, mijn vriendschappen en mijn muzikale vertier? In Den Haag krijg je mij niet te zien. Dan vertrek ik naar het buitenland.’ Het had effect. Theodoor ging niet in op het verzoek van Kuyper.

„Hij was bang voor de gruwelijke maatregelen van zijn eigen vrouw”, zegt kleinzoon Frederik. „Een scheiding was natuurlijk totaal ondenkbaar in het gereformeerde milieu en een scheiding van tafel en bed ook. Dus zwichtte Theodoor voor zijn vrouw. Maar dat heeft hem wel punten gekost bij Kuyper.”

U schrijft ook dat Theodoor zo bezig was met zijn werk dat er nauwelijks tijd was voor de kinderen.

„Theodoor was een menselijker man dan zijn vader Jan, maar hij heeft het opvoeden van zijn kinderen geheel laten liggen. De verzuchting van mijn vader Frits was: mijn vader was er nooit. Hij had niets aan hem gehad.”

Maar ook niet aan zijn moeder, schrijft u.

„Klopt, het was dubbelop. Ik kwam daarvoor een getuigenis van onverdachte zijde tegen. Een zuster van mijn vader heeft een soort memoires geschreven en zegt daarin dat haar moeder absoluut geen affectie met haar kinderen had. Voor liefde ging zij naar de zuster van haar moeder in Zwitserland.”

Verklaarde dat gebrek aan aandacht de problematische ontwikkeling van hun kinderen, onder wie uw vader?

„Ik moest steeds denken aan het buitengewoon verstandige advies dat wanneer je een historisch boek schrijft je niet moet gaan psychologiseren want daarvoor heb je niet doorgeleerd. Maar ik zat wel te worstelen met de vraag of er een causaal verband was tussen het gebrek aan affectie enerzijds en de deplorabele staat waarin drie van hun vijf kinderen zijn komen te verkeren. Drie van hen onder wie mijn vader waren depressief en de anderen net niet, maar leidden ook geen feeëriek bestaan. In mijn boek schrijf ik: het kan de affectie zijn maar het kan ook de erfelijkheid zijn.”

In het derde deel gaat Frederik Heemskerk uitvoerig in op het moeizame persoonlijke leven van zijn vader Frits. Zijn werk als advocaat leed er zwaar onder en thuis heerste dan ook ‘stille armoede’, schrijft Frederik. Maar ondanks zijn woedeaanvallen waarbij het serviesgoed door de kamer vloog had vader Frits ook goede buien met aandacht voor zijn kinderen. ‘Bij vlagen was Frits desondanks in staat geweest zijn kinderen meer warmte te geven dan hijzelf ooit van zijn eigen ouders had ondervonden’, schrijft Frederik, zodat hij zelf daardoor net als zijn broer en zuster ‘betrekkelijk ongeschonden uit de strijd te voorschijn is gekomen’. Iets dat niet opging voor zijn vader want die had de strijd „zelf helaas verloren”. Hij overleed in 1962 op 66-jarige leeftijd als gevolg van een overdosis slaappillen.

Aan het eind van uw boek heeft u het over levens die niet meer werden lamgelegd door de glorie van het voorgeslacht. Was dat bepalend voor de ontwikkeling van de Heemskerken?

„Dat is een andere factor dan depressies of de erfelijkheid. Dat is meer waar iedereen met een beroemde vader of moeder mee te maken heeft: je bent de zoon van. Je moet wel een heel sterk karakter hebben als dat niet belemmerend werkt. Dat is de betekenis van die zin.”

Uw vader heeft daar wél last van gehad?

„Ja, ik denk het wel. Die was toch de zoon van. De schaduw van de voorouders viel nog over die generatie heen.”

Had er niet eigenlijk een hoofdstuk bij gemoeten hoe het u is vergaan?

„Nee, het verhaal gaat niet over mij. Ik voelde me soms een soort Hitchcock die af en toe door zijn eigen beeld wandelt, maar ik ben niet de hoofdpersoon van het boek. De spanningsboog is op een gegeven moment uitgeput. Daarbij wilde ik mijn hand niet overspelen met te veel generaties.”