Opinie

Er is een grens aan de scepsis die ik verdraag

Floor Rusman

Toen ik achttien was, vond ik het een teken van volwassenheid om cynisch te zijn. Ik zei het ook trots tegen mensen: „Ik ben een cynicus.” Niet dat dat nodig was, de cynische grappen die ik de hele dag maakte spraken voor zichzelf. Achteraf vind ik het een ontzettend pedante houding, juist een teken van onvolwassenheid, want alleen tieners kunnen zo grenzeloos arrogant zijn.

Toch is die tiener niet helemaal verdwenen: nog steeds heb ik een voorkeur voor ‘ja maar’-zeggers, sceptici, anti-utopisten. Het leven is absurd, zegt Camus. We kunnen ertegen in opstand komen, maar we moeten niet denken dat we aan het absurde kunnen ontsnappen. De sceptische houding komt op mij over als de enige waarachtige, want waarom zou je zoiets onaangenaams beweren anders dan omdat het de waarheid is?

Noem je een crisis een kans, dan begint een scepticus onmiddellijk te steigeren. Zo ook nu, in de discussie over ‘de goede kanten van corona’. Volgens sommigen leidt de crisis tot meer solidariteit en duurzaamheid, maar Bas Heijne waarschuwde in NRC voor dit soort „parmantige duidingsdrift”: „Het idee dat we hier als vanzelf beter uit zullen komen, omdat het virus ons een lesje heeft geleerd, is onzin.”

„Dit virus is goed voor niets en niemand”, aldus de Franse letterenpromovenda Camille Islert in Libération. Velen zullen sterven, schreef ze, en geen mens of dier zal hiervan profiteren; we zijn onproductief en gedeprimeerd en hebben dat te accepteren.

Iets leren van de crisis? Vergeet het maar, waarschuwt ook Bart-Jan Spruyt. In het Reformatorisch Dagblad schreef hij deze week dat er niks terecht zal komen van nobele voornemens: „We willen vooral terug naar hoe het was.”

Ik was het wel eens met deze stukken, ik had ze zelf kunnen schrijven. Maar toch. Ze voelden ook alsof de scepticus van dienst een loodzwaar object in mijn schoot gooide. Bedankt, dacht ik, maar wat moet ik ermee?

Er is blijkbaar een grens aan de hoeveelheid scepsis die ik momenteel kan verdragen. Er móét iets positiefs uit deze crisis te persen zijn, hoor ik mezelf denken. Kijk naar de buren die elkaar eindelijk leren kennen. Kijk naar Milaan, dat de crisis gebruikt om ruimte te creëren voor fietsers en voetgangers. En de nieuwe waardering voor de publieke sector, die moet toch iets betekenen?

Wij mensen duwen elke dag een steen omhoog die weer naar beneden rolt, zegt Camus. Dit heb ik altijd een mooie gedachte gevonden. Maar ze botst met de menselijke behoefte aan ontwikkeling: van probleem naar catharsis en verlossing. Of in elk geval verbetering.

Ik ga een racefiets kopen en ermee door de polder crossen, hoor ik mezelf denken. Dan word ik gezonder en gelukkiger en kan ik later tegen de mensen zeggen: „Ja, de coronacrisis, dat was echt een keerpunt in mijn leven, toen kwam ik erachter hoe belangrijk het is om lekker buiten te bewegen.”

Daar zit ik dan, in een spagaat tussen intellectuele voorkeur en emotionele behoefte. Tussen anti-utopisme en Hollywood.

Misschien, denk ik, is scepsis een luxe voor betere tijden. Het is net wat comfortabeler ‘ja maar’ zeggen als de situatie niet zo vreselijk onzeker is. In slechte tijden is het vooral zaak jezelf je bed uit te krijgen, desnoods met iets te optimistische ideeën over de toekomst.

„Hoop is ook een markt”, schrijft Heijne cynisch, en dit keer struin ook ik de kraampjes af.

Floor Rusman is redacteur van NRC.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.