Recensie

Recensie Boeken

Een portret van een ‘fout’ familielid: hoe denken we nu over oudoom Marcel?

Erwin Mortier Zijn debuut over een oudoom met nazisympathieën slingerde Erwin Mortier in een keer de literaire elite in. Nu is er een geslaagd vervolg. (●●●●)

llustratie Paul van der Steen

llustratie Paul van der Steen

Wat gebeurt er met een vlek die er twintig jaar zit? Als hij aan de oppervlakte ligt, verweert hij, hoe intens zwart hij ook is. Daar hoef je niets voor te doen, dat doet de tijd.

In Marcel (1999) kwam de schandvlek inderdaad aan de oppervlakte – zij het indirect. Er werd weliswaar om de schande heen geleefd in de debuutroman van Erwin Mortier (1965), maar de ‘foute’ oorlogsgeschiedenis van de familie van de hoofdpersoon was, decennia na de feiten, nog altijd méér dan een ontsierend litteken. Oudoom Marcel van de jonge ik-verteller, die ook Marcel heette, was een heldendood gestorven aan het oostelijk front, zij aan zij strijdend met de nazi’s, zogenaamd voor de Vlaams-nationalistische zaak. Dat hij aan de verkeerde kant was geëindigd, was te wijten aan de onrechtvaardigheid van de geschiedenis. Binnen de familie stond de gesneuvelde Marcel op een voetstuk en diende hij zijn jonge naamgenoot ten voorbeeld. Al was het ook weer niet de bedoeling dat de jongen daar buitenshuis mee zou pronken. Over die spanning ging de novelle, die Mortier onmiddellijk de literaire elite in lanceerde.

Nu, twintig jaar later, schreef Erwin Mortier met De onbevlekte een roman die je een vervolg zou kunnen noemen. Dat mag geen totale verrassing heten: eerder hernam Mortier de personages uit zijn bekroonde en vooralsnog beste roman Godenslaap (2008) in een vervolg, om een nieuw perspectief te tonen. Eerst zaten we middenin de Eerste Wereldoorlog, in De spiegelingen (2014) ging het over de gevolgen van de oorlog, op een intiemer, persoonlijker niveau. Zo is ook de verhouding tussen Marcel en De onbevlekte: Marcel is inmiddels volwassen en bezoekt zijn grootmoeder. Er zijn vele jaren voorbij, en tijd schiep afstand, maakte ruimte voor een nieuw verhaal.

Verstilling

Zo lijkt het aanvankelijk nochtans niet. De verteller die de roman opent is Andrea, die verhaalt over dromen waarin ze een jonge vrouw is en haar broer – Marcel de militair – terugkeert van het front, zijn zware schoenen uitklopt bij de achterdeur, hoe ze hem wast in een tobbe. De ervaring voelt vers. Ook als zij nog verder in de tijd teruggaat, naar hun jeugd, zien we eerder wonden dan littekens. Ze herinnert zich nog levendig hoe ze als meisje opgroeide en alle aandacht naar haar broer, ‘de langverwachte’, ging: ‘Zonen worden met verwachtingen beladen, dochters met erfzonden.’

Die herinneringen komen tot ons in levendige, fijnzinnige lyriek, bijvoorbeeld over de hennen op de boerderij: ‘Dan werden er uit manden gulpen graan gestrooid en al wat veren droeg, eieren legde en aanvette, kakelde en scharrelde en bekvechtte om de korrels.’ Zo wordt er een vervlogen wereld opgeroepen, van toen een boerderij nog een ‘waakmeid’ had om ’s nachts de vaten met melk op temperatuur te houden, ‘opdat de room kon rijpen’ – wat tot de verbeelding van de jonge Andrea sprak: ‘Ik wilde weten of ze zich omdraaide in haar slaap, de melk, zoals ik, en ook of ze droomde, of ze in de zomernachten naar koele plekken zocht, net als ik, in mijn bed. Ik vroeg me af of de room van de slaap van de melk de droom was.’

Die laatste zin laat zich niet vluchtig lezen – en dat is onvervalst Mortier. Zijn proza heeft de ritmische, rijmende kwaliteit en de dichtheid van poëzie. Dat werkt, overigens net als in Marcel, een zekere verstilling in de hand: het proza komt soms bijna tot stilstand. Dat kún je op Mortiers werk tegen hebben, en ook op deze nieuwe korte novelle: die moet het niet van de voortstuwende kracht hebben, van een bewegend verhaal. De onbevlekte vraagt misschien om een leeshouding als voor het type poëzie waarin de tekst niet vooruit beweegt, maar herhaalt, heroverweegt, herneemt. Sommige mededelingen keren op licht aangepaste wijze meermalen terug – bijvoorbeeld, geestig toepasselijk, over het gelaagde gebak van Andrea dat zo zwaar op de maag ligt.

Snotaap

Maar De onbevlekte gáát dan ook over stilstand en herhaling. Na een paar hoofdstukken schakelen we naar Marcel, die nu zijn grootmoeder bezoekt (Andrea dus), als zij op het punt staat voorgoed te vertrekken uit het ouderlijk huis, en de familiegeschiedenis dus nog eens onder het stof vandaan komt. Het is decennia ná de gebeurtenissen in Marcel, al maakt dat in zekere zin weinig verschil: Marcel is nog steeds ‘een snotaap in mijn ogen’, zegt grootmoeder. ‘Ik keek toe’, beschrijft hij. En een regel later: ‘Ik kijk altijd toe.’

Dat karakter van toekijken en niet aanvatten past bij Mortier, bij zijn personages, bij zijn proza – en van de betekenis van zo’n karakter geeft De onbevlekte op een diep niveau rekenschap. Zo’n houding doet iets met de beleving van tijd: wie toekijkt en aandacht schenkt aan het onbeweeglijke, vergeet misschien dat de tijd voortgaat, en dat vlekken verweren.

Er lijkt nog een soort plotlijntje in De onbevlekte te zitten: was oudoom Marcel misschien, net als de latere Marcel, ook ‘voor de venten’ (of hij op mannen viel)? Zo’n vraag, die trouwens gauw weer bijzaak blijkt, tekent sterk het perspectief van deze novelle. Niet de nazisympathieën van de foute militair uit de Tweede Wereldoorlog staan nu centraal, maar zijn persoonlijkheid. De brieven die hij verstuurde van het front, en die een fors hoofdstuk in beslag nemen, lezen we nu om inzicht te krijgen in de persoon, niet in zijn geschiedenis. Zijn menselijkheid springt veel meer in het oog dan het ‘Houzee!!’ of ‘Vlaanderen trouw’ waarmee hij zijn brieven ondertekent. Niet meer de vlek doet ertoe, maar de stof. Dat doet de tijd.

Eigen wetten

De korte roman die begint met de geschiedenis van een beknotte vrouw transformeert tot lyrische mijmering, tot een bron van historische sensatie (de brieven!) en een portret van een ‘fout’ familielid, waarna een sterke dialoog volgt over hoe het voortgaan van de tijd de blik verandert. Stuk voor stuk worden die lijnen nauwelijks afgehecht – iets wat je van een dichtbundel gemakkelijker zou accepteren dan van een roman.

Maar het loont om De onbevlekte zo te lezen: als een bundel prozagedichten, waarbij de hoofdstukken de verschillende afdelingen vormen, waarin soms herhalingen optreden – als een boek dat uiteindelijk eerder verbrokkelt en uiteen rafelt dan dat de lijnen bij elkaar komen, zoals dat ook gaat met de tijd, met het leven. ‘Het boek, kortom, stelt op de een of andere manier zijn eigen wetten’, schreef recensent Hans Goedkoop in 1999 in deze krant over Marcel. Dat blijkt Mortier twintig jaar later, op een geheel eigen en weer andere wijze, te kunnen herhalen.