Foto Frank Ruiter

Interview

‘De Bijlmer was een mijnenveld voor mij’

Lunchinterview Soortkill (26) uit de Bijlmer werd geen schrijver door op school te zitten. Hij sloot zich aan bij kunstenaarscollectief Smib en creëerde z’n eigen universum, universiteit en taal. „We zijn wereldverbeteraars.”

Op een oude damesfiets komt hij aan bij de ingang van het Vondelpark in Amsterdam. Soortkill is zijn naam, 26 jaar en hij is van top tot teen in het zwart gehuld. Per ongeluk geven we elkaar een hand en dan lopen we naar het tulpenveld en kiezen een bankje in de schaduw. Natuurlijk is Soortkill niet zijn echte naam, het is een pseudoniem. Het betekent, in zijn taal en wereld: soort of type man. Hij is hard bezig schrijver te worden, voor zijn vijfendertigste wil hij vijf boeken op zijn naam hebben staan. Z’n eerste boek gaf hij in 2017 uit in eigen beheer en is uitverkocht, het vervolg daarop ligt sinds november 2019 in de winkel: het Smibanese woordenboek 2.0, waarin hij de straattaal die hij spreekt boekstaaft én toelicht.

Tot voor kort droeg hij ook nog een bivakmuts om zijn identiteit volledig in nevelen te hullen – want het gaat niet om hém, zegt hij, maar om wat hij wil vertellen. Om te begrijpen wat hij zeggen wil, moet je toch weten wie hij is en waar hij vandaan komt. En, niet onbelangrijk, je moet hem verstaan (vandaar dat woordenboek). Geen probleem, hij spreekt ook prima ABN. Zijn oorsprong ligt in de Smib, oftewel de Bims, wat weer een koosnaam is voor: Bijlmer. De wijk in Amsterdam-Zuidoost waar hij vanaf groep 6 woonde, met zijn moeder, een drie jaar oudere broer en een tien jaar jonger broertje.

Hij grabbelt het restant van een joint uit zijn fannypack (buiktasje). „Ik ga even wat roken, goed?” Ondertussen denkt hij na over de vraag wat voor jongetje hij toen was. „Enthousiast wel.” Dat was gauw over. „Mensen zeggen: waarom doe jij blij? Ze zijn negatief daar. Vooral kids zijn ongelukkig, maar ze weten niet waarom.” Hij lacht. „De straat was een mijnenveld voor mij. Overal waar je loopt, wil die ruzie met je, en die.” Beter bleef hij thuis. „YouTube-filmpjes kijken, nog meer shit kijken en later kwam daar gamen bij.”

En school? „Vmbo-kader. Boekhouden.” Dat diploma heeft hij weggegooid. „Het klopte niet dat ik daar zat. Fok die school, ik zat er alleen om dat papiertje te halen.” Daarna: ROC, mbo-marketing en communicatie. „Dat was wel prima. Ik kreeg stufi, ook lekker. Studeren met geld op zak en in die tijd hoefde je dat niet terug te betalen als je slaagde.” Maar hoe hij moest worden wat hij echt wilde zijn, schrijver, dat leerde hij daar niet. „Docenten zeiden wel dat mijn werkstukken goed waren. Sick toch? Dat ik iets opschrijf dat voor een ander betekenis heeft? Ik had een vriendinnetje, en ik merkte dat ik me beter kon uiten als ik schreef dan als ik sprak.”

Ik heb mezelf geprogrammeerd

Hij googlede hoe dat moest, schrijver worden. „Zoeken, zoeken, zoeken. Een goede schrijver moet veel lezen. Dus ging ik naar de bieb, of naar de boekwinkel als ik geld had.” Alles wat z’n „eye catchte” las hij. Het geheim van de schrijver van Renate Dorrestein en Ik, Jan Cremer. Hij keek de comedyserie Californication, over de aan lager wal geraakte schrijver Hank Moody. „Moody was geïnspireerd op Charles Bukowski. dus las ik Bukowski.” Hij checkte Matthijs van Nieuwkerk van De Wereld Draait Door. „Die man kan zo goed praten.” Pepijn Lanen, een rapper van De Jeugd van Tegenwoordig ook. „Hij zat in een commercial van Samsung, ging hij vertellen wat die telefoon allemaal kon. Heel lomp, maar zo goed verwoord. Dat wou ik ook.” Matthijs van Nieuwkerk studeerde (even) Nederlands, Pepijn Lanen ook. „Oké, dat moest ik dus ook doen. Maar dat was universitair. Oké, eerst hbo doen dus.” Hij naar de School voor Journalistiek in Utrecht. „Laat ik het zo zeggen: dat leek me de opleiding die schrijven het meest stimuleerde.” Dat viel tegen. Na een jaartje werd hij er – wegens net te weinig studiepunten – afgekickt.

Eigen uitgeverij en school

Een man blijft bij ons bankje staan en vraagt, in het Engels, of we Nederlands spreken. Het is hem te doen om een trekje van Soortkills joint. „Je mag hem helemaal hebben”, zegt die en wenst de man een fijne dag. Tegen mij: „Waar was ik gebleven? Z’n scholing, help ik. Tegen die tijd, het was 2015, had hij geen school meer nodig. Geen reguliere althans. Bij gebrek aan een geschikte opleiding heeft hij zichzelf geschoold. „Ik heb mezelf geprogrammeerd.” Dat heeft een behoorlijk erudiete en eloquente Soortkill opgeleverd. Hij sloot zich aan bij een groep jongens die zich noemt naar waar ze vandaan komen: Smib. „Guys zoals ik, die samen een plek hebben gecreëerd.” Ze produceren hun eigen muziek (hiphop, punk, rap), organiseren festivals, voeren een eigen kledingmerk (Sumibu) en hebben een eigen achterban aan fans en volgers die verder reikt dan hun wijk in Amsterdam.

Soortkill voegde daaraan zijn „geletterdheid” toe. Hij muntte de naam van hun taal (Smibanese), richtte een eigen uitgeverij en een school op (Smibanese university) waarvan hij de docent is. Hij geeft leesadviezen en houdt hoorcolleges in bibliotheken over abstracte onderwerpen als tijd, of heel praktisch over hoe je omgaat met geld of wat mediteren inhoudt. „In de zaal zitten jonge gasten met een notitieblok. Ze maken aantekeningen. Stellen vragen. En de keer erop zitten ze er weer.”

Lees ook: Wat Alex Spruijt (14) vindt van het Smib-collectief

Je kunt Smib een hiphop-kunstenaarscollectief noemen, je kunt ook zeggen dat het een universum is, een eigen wereld bedacht door mensen die door hun afkomst, opvoeding, opleiding of door alle drie geen plek vinden in de samenleving. In elk geval niet de plek die ze ambiëren. Soortkill, die zich er al op had voorbereid dat hij me het een en ander zou moeten uitleggen, zegt het zo: „Het ligt aan het systeem. Elk systeem produceert iets. In het segment van de samenleving waarin ik me bevond, produceert het systeem arbeiders. Je krijgt scholing, je solliciteert, je gaat werken.” Als dat je pad niet is, heb je pech.

Smib heeft artiesten onder contract die soms nog op school zitten. „Een zo’n jongen, een artiest met duizenden fans, met optredens door het hele land, in wie we geld investeren, die moet z’n opleiding nog afmaken. Detailhandel, niveau 1. Hij moet stage lopen. Hij komt dat bij ons doen. Zegt die docent van hem: maak het niet te moeilijk voor hem.” Zijn mond valt open. „Die man heeft geen idee wat die jongen allemaal kan.” Zijn talent wordt niet begrepen of gezien? „Niemand van ons is ooit gezien of begrepen.” Hij ook niet door z’n ouders? Soortkills vader kwam op z’n elfde naar Nederland, zijn moeder op haar negentiende. „Immigranten zoals zij hebben meer een survival-mentaliteit. Die brengen offers voor een betere toekomst voor hun kinderen. Dus toen mijn broer en ik van school gingen, vroegen ze zich af wat de fok wij deden.” In januari was er een uitverkocht Smib-festival in Paradiso, Amsterdam. „Ik had mijn ouders uitgenodigd. Voor het eerst begrepen ze dat wat wij doen serieus is.”

Negro’s en niggas

Hij grabbelt weer in zijn tas, haalt nu een boek tevoorschijn. Die nigger die!, een autobiografie van H. Rap Brown, een Amerikaanse politiek activist. „Dit boek komt uit 1969 en gaat over Amerika, maar het is zo herkenbaar. De schrijver deelt Amerikanen op in drie categorieën. De blanken, de negro’s en de niggas. Negro’s zijn donkere mensen die zich gedragen als witte mensen. Die heb ik ook in mijn familie. Ze praten alleen Nederlands, en distantiëren zich van alles wat te maken heeft met de Surinaamse cultuur. En dan heb je nog de niggas. Dat is de groep die vooruitgang wil voor zwarte mensen.”

Hij rekent zichzelf, en de jongens van Smib, tot die laatste groep. „Wij zijn wereldverbeteraars.” Onder zijn jas is een stukje T-shirt zichtbaar. Ik zie een hakenkruis. Als hij zijn jas open ritst, blijkt er ook een voet op te staan die het hakenkruis wegschopt. „We zijn politiek geëngageerd, maar verpakken het in een leuk jasje. Anders wordt het te zwaar.” Smib, zegt hij, is een „glitch in de matrix.” Dát moet hij even uitleggen. „Zie Smib als een gat, een opening waar je doorheen kunt.” Om te ontsnappen? „Ontsnappen ja. Aan hoe zwarte mensen over zichzelf denken, hoe er tegen ons wordt aangekeken. Dat beeld kun je changen. Dan ben je geen kansarme jongen met verkeerd haar, een te laaghangende broek en een raar taaltje. Dan ben je cool.”

Lees ook: Dit interview met punkzanger en Smib-lid Ray Fuego

Vandaag gaat hij beginnen aan zijn tweede boek. „Ik las in mijn dagboek dat ik precies vier jaar geleden aan het eerste begon.” Het wordt een handleiding hoe te worden wie je wilt zijn, een boek dat hij tien jaar geleden zelf had willen lezen. „Vroeger wist ik niks, man. Geen purpose. Blut. Blowen. Je moeder zegt: ‘Sta op, ga wat doen’. Je krijgt een vriendin, die zegt hetzelfde. Je begint te denken dat je een loser bent.” Dezelfde man die eerder rond het bankje hing, spreekt hem weer aan. Nu jaagt hij hem weg, heeft daar meteen spijt van en roept hem excuses achterna. „Ik ga mijn punt kwijtraken, daarom.” Wat was zijn punt? „Je moet hoop zoeken. Sleutelen aan jezelf. Dan lukt het wél.”