Klussen, Juist nu! Maar hoe doe je dat eigenlijk?

Klussen Op televisie zie je rijen voor de bouwmarkt: iedereen gaat nu thuis aan de slag. Tips voor de beginnende thuisklusser.

Illustratie Martien ter Veen

Hollywood heeft al een paar keer griezelig nauwkeurig laten zien hoe een pandemie ontstaat en verloopt. Hoe de eerste verdachte sterfgevallen gebagatelliseerd worden. Hoe het virus geniepig doorsluipt. Hoe de angst dan bezit neemt van de samenleving.

Waar de filmindustrie veel minder aandacht voor had: de oeverloze saaiheid die een pandemie met zich meebrengt. Want ga maar na. Je hebt een gezinnetje. Allebei een leuke baan, kinderen, voetbal, tennis, vrienden, collega’s, familie. Yoga. Tangoles.

Maar opeens heb je alleen nog maar elkaar en de kinderen. En dat huis natuurlijk, waarvan de muren steeds dreigender op je afkomen.

Maar de menselijke creativiteit laat zich niet zomaar beteugelen. In dat huis worden opeens allerlei activiteiten ontplooid. Vooral in de keuken. Het ruikt er naar versgebakken speltbrood, appeltaart en zelfgemaakte pesto. Er liggen kookboeken met bladwijzers bij de granaatappelensalade en de pistachenotenpasta. In appgroepen wordt druk overlegd over fermenteren, zuurdesems en yoghurtcultures. De vrouw in huis belt haar moeder voor het recept van die heerlijke kletskoppen.

De vrouw in huis is trouwens toch goed bezig. Eindelijk heeft ze tijd voor vergeten strijkgoed, wazige ramen en versleten gordijnen. De hulp komt niet meer, want die werkt thuis. Het is geen probleem. De vrouw blijkt dat allemaal verrassend goed te kunnen en haar humeur lijdt er niet onder.

De man intussen, pakt de hogedrukreiniger en spuit zijn motor weer eens grondig schoon. Hij zou ook iets willen. Maar wat? Op de televisie ziet hij mannen en vrouwen in de rij staan voor de bouwmarkt. Dát is een idee. Klussen!

Maar als hij dat aan zijn vrouw vertelt is de reactie sceptisch. „Hoezo?”

„Nou, jij bent de hele dag bezig. En ik wil ook wat.”

De suggestie om dan eens wat vaker de vaatwasser uit te ruimen, of zelf de vuilnisophaaldagen uit het hoofd te leren, valt niet in goede aarde. Ook de was doen trekt hem niet. Hij wil iets maken, iets bouwen. Iets met hout, schroeven en een boormachine. „Maar wát dan?”

Er moet een dakkapel op het huis komen, daar hebben ze het al jaren over. Maar die brengt de man maar niet ter sprake, dat is te hoog gegrepen. De badkamer betegelen? Moet ook, maar hoe krijg je die oude tegels eraf? En de nieuwe erop?

„Ik zou een plank boven ons bed kunnen maken. Kunnen daar wat boeken op. En de radio. Kan ik er een paar lampjes aan vastmaken”, zegt hij. „Een plank van één meter tachtig, net zo breed als ons bed.”

Dat vindt Ellen (zo heet ze) een goed idee, en ze gaat verder met wegen.

In de bouwmarkt koopt John (zo heet hij) een mooie vuren plank van 20 cm breed en 18 mm dik. Hij is tweeëneenhalve meter lang, maar dat zaagt hij thuis wel op maat. Als hij de plank in zijn auto probeert te duwen, schiet een verlammende vraag door zijn hoofd. Hoe zet hij die plank op de muur? Met die lelijke plankendragers? Nee, dat vindt Ellen niet mooi. Hoe dan?

Op dat moment krijgt John het tweede goede idee van die dag. Hij ziet het opeens voor zich. Het wordt geen plank, maar een open kastje. Een kastje van twee planken, met twee zijkanten, en met halverwege nog een rechtopstaande plank voor de stevigheid. En een achterwandje van multiplex. Dan wordt het van zichzelf een stijf geheel, en kan het met een paar schroeven aan de muur worden bevestigd. Het kan mooier, maar dit gaat zeker werken.

Hij loopt de bouwmarkt weer in, pakt nog een plank en laat een strook multiplex zagen van 25 bij 180 cm. Eigenlijk verkopen we alleen hele platen, zegt de zaagman, maar vooruit, de rest raak ik ook wel kwijt.

Illustratie Warna Oosterbaan

Tevreden loopt John met zijn kar naar de kassa. Maar dan realiseert hij zich dat de muur boven het bed van hard beton is gemaakt. Daar heb je een, hoe heet dat ook alweer, een boorhamer voor nodig. Wat kost dat wel niet? Ruim honderd euro. John twijfelt even, maar hij herinnert zich net op tijd dat de nieuwe keukenmachine van Ellen ruim tweehonderd euro kostte. En wat is er nou écht belangrijk, denkt John bij zichzelf als hij de machine op zijn karretje legt. Op advies van het aardige bouwmarktmeisje koopt hij er ook een 8 mm betonboor bij, een doosje met 8 mm-pluggen en een handvol stevige schroeven.

Weer thuis kan Ellen zich goed vinden in het kastje-idee. De boorhamer kan ook op haar instemming rekenen. Ze heeft wel weer zo’n typische Ellen-vraag: „Waarom heb je die planken ook niet meteen op maat laten afzagen?”

John zwijgt en gaat aan de slag. Met koploze spijkers en houtlijm (daarvoor moet hij weer een keer terug naar de bouwmarkt) zet hij de lange planken op de achterwand vast. Zijwandjes ertegen aan, tussenplank erin. Klaar!

Nou, bijna. Nu moet het kastje nog tegen de muur. Vier schroeven, met flinke ringen (die had John nog) moeten genoeg zijn. John boort vier gaten in de achterwand van het kastje. Ellen en zijn zoontje houden de kast tegen de muur. Van de buurman heeft hij een waterpas geleend en die ligt op de onderste plank. John tekent de gaten op de muur af als de luchtbel in het midden staat.

Daarna gaat hij in de muur boren. Het eerste gat gaat goed! Het tweede ook, maar met het derde gat wil het minder lukken. Er breekt een flink brok stucwerk uit de muur. John troost zich met de gedachte dat je dat toch niet ziet als het kastje op zijn plaats hangt.

Zo begon het. Het kastje bleek een aanwinst voor de slaapkamer. Vooral toen het op aandringen van Ellen ook nog geschuurd, geplamuurd en geschilderd werd. Daarvoor moest John het wel weer een keer van de muur halen. Toen zag je ook die gapende krater weer.

Lees ook: Klussen is niet eng

Maar op de een of andere manier is dat kastje een souvenir geworden, een bescheiden gedenkteken. Een herinnering aan de tijd dat ze er thuis het beste van moesten maken. En dat dat redelijk lukte. En dat John toen iets in zichzelf ontdekte dat hem later nog veel plezier heeft bezorgd: dat hij ook iets kan.