Opinie

Liefhebbers moeten zelf de kunsten steunen

Economische gevolgen De voorzichtige aanpak van de minister van Cultuur is verstandig, vindt hoogleraar culturele economie Arjo Klamer. Het is veel belangrijker dat liefhebbers en elite zelf de kunsten omarmen en steunen.

Illustratie Kamagurka

Pragmatisch gesproken, hebben alle partijen gelijk. Kunstinstellingen die om steun vragen, vrije producenten die zeggen dat zij net als KLM steun nodig hebben van de overheid, de minister die terughoudend reageert, en de minister die zegt dat kunst een hobby is: ze hebben allemaal gelijk, min of meer. Alleen had de minister de opmerking over hobby’s beter voor zich kunnen houden.

Jon van Eerd, vrije theaterproducent, heeft gelijk als hij in het tv-programma Op1 stelt dat hij een bedrijf heeft als ieder ander bedrijf en daarom net zo goed aanspraak moet kunnen maken op overheidssteun nu al zijn inkomsten wegvallen. Dat argument gaat op voor alle kunstinstellingen die afhankelijk zijn van inkomsten van bezoekers.

Jan Zoet, voorzitter van de kunstenlobby Kunsten 92, heeft gelijk door zich sterk te maken voor gesubsidieerde instellingen en festivals. Na eerdere bezuinigingen door de VVD’er Halbe Zijlstra is de rek er wel uit. Instellingen die cultureel ondernemerschap hebben getoond en meer eigen inkomsten hebben gegenereerd, zijn nu de klos. De overheid heeft een verantwoordelijkheid. De 300 miljoen die de minister nu inzet, zal onvoldoende blijken, zeker als het lot van de vele zzp’ers meegewogen gaat worden.

Illustratie Kamagurka
Illustratie Kamagurka

Dat de VVD-minister Eric Wiebes in Zomergasten het kunstenaarsvak afdeed als een hobby was een gotspe. Professionele toneelspelers, musici, regisseurs, beeldende kunstenaars zijn hoogopgeleide vaklui. Dat had hij als minister van Economische Zaken moeten erkennen. Was hij evenwel een Rotterdamse loodgieter die een fanatieke fan is van Feyenoord, dan zou hij zich hebben kunnen afvragen waarom hij zoveel moet betalen voor een voetbalweldstrijd terwijl de goedbetaalde accountant zwaar gesubsidieerd wordt voor zijn bezoek aan een klassiek concert. Hoe eerlijk is dat?

De druk van mensen die weinig met kunst hebben, doet een minister van Cultuur aarzelen wanneer kunstproducenten aankloppen voor extra steun. Hoe rechtvaardigt ze de inzet van gemeenschapsgelden als kerken, sportclubs en bezinningscentra net zo goed in de problemen zijn? Wat rechtvaardigt een uitzonderingspositie van de kunstinstellingen? De 300 miljoen is een voorzichtig begin.

De minister doet nu het goede door bedrijfseconomische argumenten te laten prevaleren en haar verantwoordelijkheid te nemen als subsidiënt. Het is goed dat ambtenaren druk bezig zijn om een reeks maatregelen uit te werken als het opschorten van huur, leningen voor vrije producenten en compensatie van zzp’ers. In een tijd van crisis is eerst een pragmatische aanpak geboden.

Fundamentele vragen

Inmiddels hebben de producenten van de kunsten geleerd dat de overheid a) vooral wil bezuinigen op de kunstsubsidies, b) kunst als een instrument ziet voor ander beleid, zoals toerisme of bevordering van diversiteit, c) een systematiek van controle en beheersing hanteert die de kunsten geen recht doet.

Kunst heeft ruimte nodig om te floreren en raakt verstikt in de overheidssystematiek. Het waarmaken, en daarmee de financiering van de kunsten zou anders moeten. De kunsten verdienen beter.

Kan de elite niet ook haar verantwoordelijkheid nemen zoals ze deed tot voor WOII?

Dus na de noodzakelijke pragmatische noodoplossingen is het tijd om de fundamentele vraag te stellen: waarom kunst? Waar is kunst goed voor? Wat betekent kunst voor u en mij? Wat hebben we ervoor over?

Ramsey Nasr, acteur en dichter, deed deze week in Buitenhof een voortreffelijke voorzet. Het was moedig dat hij het bestaansrecht van kunst aankaartte, en zijn antwoord daarop durfde te formuleren. Dat is moedig omdat kunst bijna per definitie ongrijpbaar is, ontregelt zoals hij in een essay in de NRC van 1 april optekende. Ontregelen dacht ik? Moeten we dan nog meer ontregeld worden dan we nu zijn? Nee, zei hij afgelopen zondag, het gaat erom dat kunst een impuls geeft aan het besef dat er iets groters is dan onszelf. Wat hem betreft gaat het er in de nieuwe samenleving na corona om op een nieuwe manier met onze waarden en fundamenten om te gaan. Die fundamenten zijn wat hem betreft de zorg, het onderwijs, en de kunsten, juist die sectoren die als ‘ornamenten’ werden gezien in de tijd van bezuinigingen.

Laat de kunsten floreren als een culturele ‘commons’, als iets dat mensen in Nederland gemeen hebben

Laat ik er een schep bovenop doen. Het gaat om al de betekenis gevende activiteiten, het gaat om de kwaliteiten die wij in de samenleving delen. In de wetenschap spreken we van de culturele ‘commons’, waarmee we de culturele praktijken bedoelen die mensen in Nederland gemeen hebben. Het betreft niet alleen de kunsten, maar ook sport (Feyenoord is als een religie voor de echte supporters), religie, politiek, films, de media. De kracht van een samenleving wordt in belangrijke mate bepaald door de rijkdom van die culturele ‘commons’. Het gaat er inderdaad om iets groters dan onszelf te zien, de mogelijkheid om het onzegbare te verbeelden en te verwoorden, om van het prozaïsche poëzie te maken, om daarmee een houvast te zijn in tijden van fundamentele onzekerheid. Zoals de Matthäus-Passion dat kan zijn. Of een roman. Een gedicht. Een beeld. Juist nu.

Delen!

Daarom lezen mensen De pest van Camus, lezen Nasr en collega’s de Decamerone voor, de verhalen van de 14de-eeuwse Boccaccio, en geeft Fabian Jansen een marathonvoorstelling over een eenzame vrouw (te volgen op YouTube). Ik zelf werd gegrepen door de roman van Mercier, Het Gewicht van Woorden, die me deed meeleven met een man die zijn weg moet vinden nadat hij even in de veronderstelling had verkeerd dat zijn dood nabij was. Hoe treffend.

Lees ook De middenklasse juist wel vrijgevig

Nu mijn punt. Wil kunst, of welke andere betekenisgevende praktijk ertoe doen, dan dient ze gedeeld te worden. En dat gebeurt pas als niet alleen makers haar produceren, en een instelling als de overheid haar financiert, maar vooral als zoveel mogelijk mensen meeleven, actief luisteren, lezen en kijken, kortom als de praktijk een ‘commons’ wordt.

Illustratie Kamagurka
Illustratie Kamagurka

Dus waar zijn de mensen die meeleven? Waar is hun stem? Waar zijn al die liefhebbers? Links en rechts hoor ik mensen die de gezamenlijke beleving van de voorstellingen, de kerkdiensten, de wedstrijden missen. Zij beseffen wat wij economen de ‘bestaanswaarde’ van dat alles noemen. De vraag is dan: wat zijn die voorstellingen, diensten en wedstrijden hun waard? Wat hebben ze ervoor over? (Best veel, blijkt uit het aantal mensen dat het geld voor geboekte kaarten niet terugvraagt.)

De discussie gaat, zoals gebruikelijk wanneer het de kunsten betreft tussen de makers en de landelijke overheid als belangrijke subsidiënt. (De lokale overheden zijn zeker zo belangrijk maar komen in de discussie nog niet serieus voor.) Dat voedt alleen maar de argwaan dat de elite haar hobby via belastinggeld veilig probeert te stellen.

Kan de elite niet ook haar verantwoordelijkheid nemen zoals ze dat altijd deed tot voor de Tweede Wereldoorlog? Noblesse oblige. Zelden vroeg een tijd dringender om het grote gebaar dan nu.

Als de kunsten het fundament zijn van de samenleving, zoals Nasr betoogt, laten ze dan ook floreren als een culturele ‘commons’. We zouden via de media, via allerlei uitingen op straat, op het werk, en zeker ook in de politiek, gezamenlijk beseffen wat onze huidige situatie betekent: dat er iets groters is, iets machtigers – iets wat betekenis geeft aan het hier en nu. De overheid kan blijven faciliteren, de makers blijven maken – met loon naar werken – en kunstliefhebbers maken de kunsten inhoudelijk en financieel waar, niet alleen voor zichzelf maar gezamenlijk, voor de samenleving.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.