In tijden van nood grijpen we naar gedichten – waarom eigenlijk?

Gedichten met Deckwitz #2 Hoe lees je een gedicht? In deze serie poëzielessen helpt dichter en columnist Ellen Deckwitz je van je drempelvrees af. Les 2: poëzie is een daad van bevestiging.

Illustratie Jenna Arts

 

Vlak na 9/11 had een New Yorkse brandweerchef een opmerkelijk verzoek. Tijdens een persconferentie bedankte hij voor alle donaties maar smeekte hij iedereen te stoppen met het sturen van gedichten. Inmiddels lagen er postzakken vol op de kazerne! Waar verdriet is, is poëzie, dat hoort blijkbaar nou eenmaal zo. Bij dodenherdenkingen, begrafenissen en in rouwadvertenties citeren we gedichten, na het neerstorten van de MH17 circuleerden op sociale media opeens talloze verzen over de ramp en ook tijdens de huidige crisis is er sprake van een enorme interesse in het schrijven en doorgeven van poëzie. De site coronagedicht.nl telt inmiddels duizenden bijdragen, kranten als de Volkskrant en Trouw vroegen lezers om hun coronaverzen en op Instagram wemelt het van de viruspoëzie.

Deel 1 van deze serie: Waarom we poëzie haten – en waarom dat onterecht is

Maar waarom gedichten, en niet bijvoorbeeld columns, proza of toneelteksten? Poëzie wordt als taaluiting toch vaak verbonden aan emotie. Het uiten van gevoelens vraagt om een bepaalde vorm en daarbij komen ook bepaalde interpretatie-afspraken kijken. Als je een tekst ‘gedicht’ noemt in plaats van ‘column’ of ‘recept’, ontstaat er een bepaalde leeshouding. Neem de zin ‘Je mag niet achteruit’. Als we doen alsof dit een verkeersregel is, beschouwen we hem als een instructie. Als het een column is, zijn we het er wellicht mee oneens. Maar als we het poëzie noemen, gebeurt er meer. De een vat hem dan op als een smeekbede, iets wat je tegen een oud huisdier zou kunnen zeggen, de ander zou deze regel kunnen interpreteren als een hart onder de riem: dat je ondanks alles door moet gaan.

Dat je een gedicht ruimer mag opvatten dan bijvoorbeeld de bijsluiter van een brandmelder creëert speling en biedt mogelijkheden tot reflectie. Je hoeft het bij een gedicht allemaal even niet precies te weten, en dat kan een opluchting zijn. Een nieuwsbericht is een betonnen muur, tjokvol onveranderlijke feiten. Een gedicht is een kralengordijn dat zicht biedt op het mogelijke, ruimte geeft aan het dubbelzinnige. Zoals bij Hanneke van Eijken, die over de lockdown schrijft: „achter het hek zitten we veilig/ wie weet nog wat de voor- of achterkant is.” Of Sander Koolwijk, die over een boze, thuiszittende puber dicht: „Je keek mij vijandig aan en voor ik iets zeggen kon/ duwde je de tafel van je af en stoof naar boven/voor weer een kutles op Zoom… ooit ben je hier niet geweest, dacht ik/ maar het me voorstellen kon ik niet.”

Afgelopen week bladerde ik wat door een bloemlezing en stuitte daarbij op het bekende gedicht ‘Poëzie is een daad’ (1955) van Remco Campert. Mijn docent Nederlands dweepte er vroeger zo mee dat ik er nooit echt wat aan vond, maar vorige week raakte het me opeens enorm, juist door de situatie waarin we ons momenteel bevinden. Een regel als „poëzie is mijn adem” was een klap, omdat benauwdheid en longontsteking mogelijke – en dodelijke – gevolgen van Covid-19 zijn. En de regels „maar de dood is slechts de stilte in de zaal/ nadat het laatste woord geklonken heeft” stemden me treurig, omdat alle zalen in ons land momenteel leeg zijn, vol stilte en dus vol dood. En toch voelde ik me door het lezen ook gesterkt. Wat als er brandingen zijn, „stukgeslagen op de rotsen” en toch niet werkelijk verslagen. Iets lijkt voorbij en gaat toch door, herneemt zich.

Tegelijkertijd zorgt de speelsheid van dit vers ervoor dat ik even wat afstand kan scheppen. Mijn lievelingsgedichten hebben altijd de belofte van een andere wereld in zich, een groot ‘wat als’. En wat nu als Voltaire zich, zoals in dit gedicht, van de pokken wist te genezen door een zwembad limonade leeg te drinken? Het is een absurd idee dat voor een welkom contrast zorgt bij al die andere ernstige regels, en doet desondanks geen afbreuk aan de zeggingskracht.

Die avond lag ik in bed te peinzen over Camperts vers en de wildbloei aan gedichten na een heftige gebeurtenis. Poëzie is inderdaad een daad van bevestiging, dacht ik. Dat je leeft en niet alleen leeft. Campert stelt in enkele krachtige strofen dat elk geschreven woord een aanslag op de ouderdom is: ik schrijf, dus ik ben er nog. We delen gedichten want we gaan door. We verlangen naar meer dan een nieuwsbericht of persconferentie: we willen teksten waardoor we kunnen doordenken, onszelf opnieuw leren verhouden. Dat zovelen gedichten maken en delen levert een hernieuwd besef van verbinding op, waarin het vers kan helpen om te zien waar we staan, wat we denken. Om ons te kunnen bezinnen op het heden maar ook, om het met Campert te zeggen: stil te staan bij de toekomst, bij volgende week, een ander land. Op hoe we blijven ademen, blijven schrijven en blijven lezen.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.