Het nieuwe horecaleven

Mijmeren over de toekomst

Hoe zou een avondje in het anderhalvemeterrestaurant eruit kunnen zien?
Restaurant In den Doofpot in Leiden.
Restaurant In den Doofpot in Leiden. Foto David van Dam

Zodra het mag, zal de horeca weer opengaan, na flinke aanpassingen in de bedrijfsvoering. Ingewikkeld voor restaurants en cafés, maar hoe is het voor gasten? Hoe zou een avondje in het anderhalvemeterrestaurant eruit kunnen zien?

Uit eten begint buiten. Je staat al even te kleumen voor de deur van het restaurant. Het duurde weken voordat je terecht kon, het handjevol tafels is elke avond twee keer gereserveerd. „Uw tafel is klaar”, zegt de gastvrouw als ze buitenkomt. Gelukkig zegt ze niet „gedesinfecteerd”, zoals je vaak hoort. „U kunt in de hal zelf een vakje kiezen voor uw jas, handgel staat ernaast.”

Wat is het stil, in je lievelingsrestaurant. Het lijkt een balzaal nu, met op grote cirkels kleine ronde tafeltjes voor stellen en een enkele grote tafel voor vier, terwijl je hier vaak moest inschikken als er achter je iemand aan tafel wilde. Van de weeromstuit lijkt iedereen er zachter van te praten, de muziek wordt niet meer overstemd door geroezemoes.

„Op het scherm ziet u de kaart”, zegt de serveerster, met zwarte handschoentjes aan. Je weet nog hoe ze altijd aan je tafeltje hurkte om de dagspecialiteiten op te noemen. Nu somt ze ze vanaf de rand van de cirkel op. Een praatje maken doet ze niet meer – daarvoor ontbreekt op deze afstand de intimiteit.

Het is even slikken als je de kaart bekijkt, een hoofdgerecht is zeker de helft duurder. Er zijn ook restaurants, zoals het Wokpaleis om de hoek, waar ze de prijzen laag houden. Maar daar zit je dan wel met een pieper tussen schotjes van plexiglas, en binnen een uur moet je weer weg – anders komen ze op een avond nooit aan zoveel gasten als vóór corona. De Italiaan lijkt tegenwoordig wel een ‘dark kitchen’, er komen meer bezorgers dan gasten. Dan maar iets minder vaak uit eten, denk je, terwijl de serveerster de wijn aan de bar openmaakt.

De kaart is minder uitgebreid, valt je op. „Hebben jullie die paté niet meer?”, vraag je als de serveerster de bestelling opneemt. „Helaas”, zegt ze. „Die leverancier heeft het niet gered.”

Toen dit nog een eetcafé was, stonden de gasten zich op vrijdagavond te verdringen aan de toog. Zo raakte je nog wel eens met wildvreemden aan de praat. Na de heropening waren er nog twee setjes van twee krukken aan de bar. De vrijmibo bloedde vanzelf dood, de kantoren uit de buurt organiseren nu hun eigen borrel.

Een andere populaire tent stopte juist met eten, daar kun je nu alleen nog borrelen, in één van de nisjes. Hun keuken was waarschijnlijk ook te klein om de koks afstand te laten houden.

„Weet je nog?” Het zijn andere gesprekken dan wanneer je terugdenkt aan de guldentijd of toen je nog mocht roken in het café. Dit is pijnlijker. Veel personeel heb je na de lockdown niet meer teruggezien. De reuring is weg, en dat was óók waarvoor je buiten de deur at. Met een groep vrienden eten – het kan alleen nog achter een scherm, in besloten restaurants of met een kok aan huis.

Het schijnt dat er in leegstaande panden weleens illegale pop-up-restaurants zijn waar het ouderwets druk is, maar dat lijkt vooral iets voor millennials te zijn.

Lees ook: ‘Durven mensen straks weer te komen eten?’

Voor veel mensen is uit eten een uitzonderlijke luxe geworden. Spontaan even een hapje eten doe je bijna niet meer – en niet alleen omdat er simpelweg minder restaurants en minder tafels zijn. Het is weer een beetje zoals vroeger, iets voor speciale gelegenheden.

„Weet je nog in Parijs?”, zeg je. „Hoe we daar schouder aan schouder op het terras zaten? En hoe je zonder reservering en immuniteitspaspoort een brasserie binnen kon lopen?”

Alles is anders. De terrastafels staan tussen schotjes, of ver uit elkaar verankerd in de grond. In veel restaurants hebben ze eenrichtingsverkeer, de bediening danst niet meer om elkaar heen. Buffetten en ‘finger food’ zie je nergens meer.

In dit restaurant zijn ze gestopt met ‘shared dining’, samen één gerecht delen. Daar komt de serveerster met een trolley met de borden „Links voor mevrouw, rechts de vis voor meneer.”

Pijnlijk is ook dat de eigenaar wel opvallend vaak langskomt om „iets heel moois” van de wijnkaart aan te bevelen. Het is wel duidelijk dat, meer nog dan vroeger, het geld vooral met de drank verdiend moet worden.

Negen uur. De koffie, zonder koekje, is nog niet op of de rekening wordt gebracht. „De volgende gasten staan buiten te wachten. Mag ik u naar de linkerdeur brengen?”