Opinie

Exit uit de epidemie komt neer op een jaar van vallen en opstaan

Coronavirus

Commentaar

Het minste wat van de aangekondigde beperkte versoepeling van de ‘intelligente lockdown’ gezegd kan worden, is dat het kabinet daarover geen valse verwachtingen heeft gewekt. Al dagen verkondigde premier Rutte dat er ‘na 28 april’ een stapje-voor-stapjebenadering zal gelden. ‘Het loket’ zou nog niet opengaan, we konden ‘nog niet gaan tennissen’ – sterker, ook een verlenging moest onder ogen gezien worden. Het verwachtingsmanagement ging zo ver, dat veel media ruim voor de bekendmaking vrij accuraat konden vertellen wat er in het vat zat: gedeeltelijke hervatting van onderwijs en sport. En inderdaad, handhaving van de lockdown.

Allemaal voorwaardelijke beslissingen, die herzien worden naar de mate waarin het virus opvlamt of beteugeld blijft. Het RIVM stelt dat er bij gebrek aan wetenschappelijke kennis geen waterdichte manier bestaat om te ‘heropenen’ zonder risico op een onbeheersbare uitbraak van het virus. De transitie naar een normaal leven zal, zo lijkt het nu, een jaar of langer duren. In die tijd blijft het bestuurlijk ‘pompend remmen’, waarbij, zoals bekend, contact houden met het wegdek essentieel is. Dat betekent ook dat er meer ruimte is voor politieke afwegingen. De exit uit de pandemie wordt dus een oefening in bestuurlijk praktisch leren. Op naar de volgende deadline, van 20 mei.

Lees ook: Het virus duikt snel weer op en vier andere lessen uit Azië

De persconferentie ‘waar heel Nederland naar uitkeek’ werd dus een tussenrapportage annex motiveringspraatje. De burger moet volhouden, solidair blijven, discipline en geduld tonen. Het kabinet was zo wijs vanaf het begin de maatstaf die de exit uit de lockdown zou bepalen op tafel te leggen. Het besmettingsgetal moet geruime tijd onder de één zijn – het aantal besmettingen dat één patiënt veroorzaakt. Dat lijkt bereikt. De zorg, in het bijzonder de intensivecareafdelingen, mag niet langer overbelast zijn. En moet overigens ook hersteld zijn van eerdere te zware inspanningen. Dat lijkt de goede kant op te gaan, maar is nog geen zekerheid. Verder dient er voldoende testcapaciteit zijn om het verloop van de besmetting te kunnen volgen. Daarvan is onvoldoende sprake, hooguit gaat het daar de goede kant op.

En er dient voldoende capaciteit te zijn om besmettingsbronnen en hun contacten te onderzoeken. Die lijkt het nog het verst verwijderd – de GGD’s in hun huidige staat beschikken bij lange na niet over voldoende personeel of automatisering. De track and trace-apps die het kabinet de afgelopen twee weken met stoom en kokend water trachtte te ontwikkelen, zullen in het gunstigste geval weken op zich laten wachten. Tegelijk werd ook duidelijk dat de GGD’s niet zónder deze digitale hulp kunnen – alleen dan kan er gericht meer vrijheid worden geboden, zo stelde minister Hugo de Jonge (Volksgezondheid, CDA). Winst is dat het kabinet ervan afziet om dergelijke apps verplicht te stellen. Maar het dilemma blijft – aan die contactapps dreigen we te moeten wennen, hoe ongaarne ook.

Van de vijf voorwaarden is er dus aan maar twee echt voldaan. Dat er nog maar weinig te versoepelen viel, lag dan ook voor de hand. Intussen groeit de ongedurigheid binnen de bevolking. Het verklaarde de toon die Rutte aansloeg, het benadrukken van zijn worsteling en de ernst van de epidemie. Tegelijk zit daar ook het echte risico. Het ongeduld zal groeien, naarmate de conjunctuur verder inzakt. De solidariteit komt onder druk. Het kabinet kondigt een zware periode aan van beperkingen die nodig blijven om de epidemie te controleren. Daar moeten ‘de mensen’ zich wel naar willen blijven gedragen.