Opinie

Dit is geen online onderwijs, maar internet-improvisatie

Onderwijsblog Door de coronacrisis zijn alle colleges online. Maar de naam ‘online onderwijs’ mag dat niet hebben, ziet Felienne Hermans. „De technieken die ik gewoonlijk in de collegezaal gebruik, laten zich niet makkelijk omzetten naar een video-meeting.”
Een student in Parijs studeert online vanwege de lockdown. Foto Gonzalo
Een student in Parijs studeert online vanwege de lockdown. Foto Gonzalo Fuentes/Reuters

De Universiteit Leiden nam vorige maand al, vooruitlopend op het kabinet, het besluit om alle colleges, tentamens en andere onderwijsactiviteiten tot het einde van het collegejaar geheel online voort te zetten. Dit was fijn, want het gaf snel zekerheid over wat er moest gebeuren. Daarmee voorkwam het college van bestuur dat er weken zouden aanbreken van houtje-touwtjeoplossingen: colleges overslaan, of alleen de powerpoints delen. Dat soort ‘oplossingen’ zijn natuurlijk oké als overbrugging voor een weekje zonder live colleges, maar voor een langere periode hebben ze geen zin.

In eerste instantie leek het omzetten van mijn colleges naar online lesvormen mij geen enkel probleem. Ik had immers toch ruime ervaring met online onderwijs? Al in 2014 al maakte ik mijn eerste massive open online course (MOOC), waarna er nog vier volgde in de jaren daarna. MOOCs zijn online colleges die universiteiten maken en waaraan iedereen mee kan doen. Ze bestaan uit korte filmpjes met bijbehorende opdrachten, en zijn vaak kortere, simpelere versies van bachelorvakken op de universiteit. Er bestaan inmiddels MOOCs over allerhande onderwerpen, van de geschiedenis van stripboeken tot het managen van internationale crises. In de vijf MOOCs die ik maakte over programmeren, heb ik, schat ik, een uur of tachtig aan collegeopnames gemaakt. Ik weet hoe dit moet, dacht ik dan ook optimistisch tijdens de coronacrisis. Filmpjes als colleges, discussies via een online forum, en gaan!

Al snel moest ik van deze mening terugkomen. Tot mijn verbazing waren de Leidse studenten lang niet zo enthousiast op de discussieforums als ik gewend wat van de MOOCs. Ook keken ze de filmpjes lang niet allemaal meteen, soms duurde het wel een paar dagen voor ze eraan begonnen, terwijl studenten in de MOOC vaak onmiddellijk na lancering al begonnen met kijken en vragen stellen.

Na enige bezinning begon ik te snappen wat er aan de hand was. De MOOCs had ik vooraf ontwikkeld voor het online medium. Ik had het materiaal goed opgedeeld in brokjes die steeds met een kleine oefening eindigden, en heel goed individueel te doen waren. De opgaves hadden een duidelijk goed antwoord - 0.53 bijvoorbeeld - zodat studenten zelf konden nagaan of ze de stof begrepen hadden.

Online op tijd komen is lastig

Het vak dat ik nu heb omgezet naar ‘online onderwijs’ is geheel anders van aard en opzet. De technieken die ik gewoonlijk in de collegezaal gebruik, laten zich niet makkelijk omzetten naar een video-meeting. Normaal gesproken bereid ik iedere week stof voor om uit te leggen, vol concepten en theorieën, twee keer drie kwartier. Die laat ik studenten verwerken door in de collegezaal mee te denken over voorbeelden, met argumenten en discussies. Ik zoek dan bijvoorbeeld specifiek naar een student die het met een stelling eens is, en eentje die dat niet is. Ik laat studenten vaak antwoorden op post-its opschrijven met bijvoorbeeld argumenten voor of tegen het gebruiken van een programmeertaal, die we dan samen groeperen. Ik laat studenten de belangrijkste punten uit een college opschrijven, waar ik dan de beste uit selecteer. Maar waar plak je post-its in een online meeting? Snel de antwoorden in een documentje knippen en plakken is toch echt een heel anders soort actie. En hoe leg je een online college even stil om bij te lezen en antwoorden te selecteren? Ook het natuurlijke moment zoals een handige pauze van 15 minuten tussen 2 uren van 45 minuten valt opeens weg.

Ten tweede is er natuurlijk sprake van een duidelijke selection bias in de deelnemers. De studenten voor wie ik de MOOCS maakte, hadden er bewust voor gekozen een online vak te volgen en hadden dus de motivatie en zelfbeheersing om op gezette tijden achter de computer te kruipen. Mijn huidige studenten zijn ook gewend op tijd te komen, maar bij een fysiek college. We noteren geen absentie, maar ben je er niet, dan mis je belangrijke stof en de kans om deel te nemen aan discussies. En er is natuurlijk sociale controle van collega-studenten en van mij. De vakken in de master bij ons in Leiden bestaan uit ongeveer dertig studenten. Ben je er twee weken niet, dan valt dat wel op. Online is dat anders. Zoals een student van mij verzuchtte toen ik jaren geleden in Delft experimenteerde met het opgeven van video’s als huiswerk voor colleges: „Zo’n college op de laptop kun je altijd uitstellen tot morgen. Ik wil een vast ritme.”

Het online onderwijs dat we nu met zijn allen maken en volgen, mag die naam eigenlijk niet hebben, vind ik. Ja, het is online, en ja het is onderwijs. Maar online onderwijs is iets anders: dat zijn vakken die speciaal ontwikkeld zijn voor het internet, met bijbehorende leerdoelen, manieren van beoordelen en met studenten en docenten die daar voor kiezen. Niet een bestaand vak dat alleen is overgezet op YouTube, Kaltura of ZOOM. Over de vraag of er een onlineonderwijsboom zal losbarsten na de coronacrisis, zoals talloze (niet-lesgevende) onderwijsgoeroes voorspellen, ben ik dan ook uiterst sceptisch.

Felienne Hermans is universitair hoofddocent in de informatica op het Leiden Institute of Advanced Computer Science.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.