Wie lacht is niet alleen: we kijken nu graag komedies

Komedie Filmkomedies zijn tijdens de coronacrisis geliefder dan ooit. Waarom krijgt het genre niet altijd veel respect en waardering?

Louis de Funès (midden) in ‘La Grande Vadrouille’.
Louis de Funès (midden) in ‘La Grande Vadrouille’. Foto Mary Evans/Hollandse Hoogte

Een herhaling van Louis de Funès’ klassieke komedie uit 1966 La Grande Vadrouille – in Nederland bekend als Samen uit, samen thuis – trok tijdens de coronacrisis in Frankrijk meer dan vijf miljoen televisiekijkers. De filmredactie van The New York Times organiseerde een kijksessie met lezers rond klassieker His Girl Friday.

Uit onderzoek van de publieke omroep blijkt dat ook in Nederland kijkers nu vooral komedies en filmklassiekers willen zien. Het publiek wordt bediend met herhalingen van films als The Pink Panther, A Fish Called Wanda en Tootsie.

Natuurlijk heeft niemand een excuus of zelfs maar een aanleiding nodig om zulke klassieke komedies opnieuw te willen zien. Toch worden de films tijdens de coronacrisis uitgezonden met curieuze benamingen als ‘heimwee-tv’ en ‘troost-tv’. Wie Citizen Kane of La dolce vita terugkijkt zal daar niet zo snel het enigszins depreciërende etiket ‘nostalgie’ of ‘troost’ op plakken.

Bij komedie ligt dat anders. Komedies zijn geliefd en populair, momenteel zelfs meer dan ooit. Maar dat wil niet zeggen dat het genre veel aanzien en respect geniet, al was het maar vanwege het aloude vooroordeel dat humor serieus nemen juist getuigt van een dodelijk gebrek aan humor. Waarom heeft komedie zoveel minder status en aanzien dan tragedie en drama? De vooroordelen zijn in ieder geval niet van vandaag of gisteren. Het christendom legt zoals bekend nogal de nadruk op het lijden; God lacht in de Bijbel slechts bij hoge uitzondering en dan ook nog eens honend over de slechte inborst van de mens.

De filosoof Plato was zich scherp bewust van de manier waarop humor en spot blijk kunnen geven van volgens de wijsgeer misplaatste gevoelens van superioriteit bij ondergeschikten die het gezag ondermijnen. Plato moest daar niets van hebben. Wie echt hard moet lachen, verliest ook nog eens de controle over zichzelf en zijn lichaam. Dat was allerminst een aanbeveling.

De Oude Grieken kenden zowel tragedies als komedies, maar aan de tragedie kenden ze de meeste waarde toe. De tragedie gaat over de lotgevallen van goden, helden en vorsten; het genre is verbonden met ernst, waardigheid en heroïek. In komedies komen menselijke zwakheden en de lage lusten aan bod. Tragisch is groots en verheven; komisch maakt klein; vaak door juist de kleine dingen groot te maken (en vice versa). Tragedies gaan over macht, komedies gaan over machteloosheid. In latere komedies kunnen kamermeisjes en andere personages van bescheiden komaf opduiken, om nog maar te zwijgen van volkse humor rond de verschillende functies van het menselijk lichaam.

Komedie had wellicht een nuttige functie om de spanning te doorbreken van al te langdurige ernst en verhevenheid. Maar zo’n functie als een contrasterende vorm – of als een soort ventiel voor opgebouwde spanningen – is nog iets anders dan aan komedie een waarde op zich toe te kennen.

Langs de oppervlakte

Het vooroordeel heeft veel te maken met het idee dat drama de diepte ingaat, terwijl komedie uitsluitend langs de oppervlakte van het leven scheert. Een tragedie zonder diepte is helemaal geen tragedie. De komedie is daarin inderdaad veel vrijer. Een komedie kan ook nergens over gaan en toch buitengewoon geslaagd zijn.

Maar komedie en diepte hoeven elkaar ook niet uit te sluiten. Het grote voorbeeld van komedies die tegelijk enorme diepgang bereiken zijn de opera’s van Mozart zoalsLe Nozze di Figaro en Don Giovanni. Maar dat ligt dan wellicht meer aan de muziek dan aan de komedie op zich.

Misschien is niet zozeer van belang wat komedie en tragedie van elkaar onderscheidt, maar juist waar ze elkaar raken. Dat levert vaak de mooiste films op – of de mooiste momenten in films. Denk aan galgenhumor, tragikomedies en zwarte komedies, die juist de meest ernstige en ingewikkelde zaken bespotten.

Tot in de negentiende eeuw is door auteurs vaak aangenomen dat mensen de enige zoogdieren zijn die lachen en huilen. Inmiddels is duidelijk dat sommige apen wel degelijk lachen tijdens hun spel. Het spel van jonge dieren is vaak gericht op agressie. Zo bereiden ze zich voor op de ernst van de volwassen strijd om het bestaan. De lach is daar een belangrijk onderdeel. Door te lachen en hun ‘spelgezicht’ te tonen maken jonge apen duidelijk inderdaad te spelen. Anders zou zo’n spel wel eens gruwelijk uit de hand kunnen lopen.

Uit zulk apengedrag vallen misschien ook conclusies te trekken over mensen. Bij mensen houdt humor ook vaak verband met agressie: veel humor houdt op meer of minder subtiele wijze de pikorde in stand; binnen een groep of tussen verschillende groepen.

Humor heeft bij mensen net als bij apen ook duidelijk een sociale functie. Vrijwel niemand lacht alleen; hardop lachen gebeurt vrijwel uitsluitend in gezelschap. Dat blijkt uit tellingen. De ‘intelligente lockdown’ creëert zo bezien toch niet de ideale voorwaarden voor komedie, ook al is de behoefte eraan momenteel zo sterk toegenomen. Om echt goed te lachen moeten mensen samenkomen in de bioscoopzaal of in het theater.

Humor schept altijd afstand, maakt het leven in ieder geval voor een ogenblik tot een spel. Afstand is zelfs een voorwaarde om een situatie grappig te kunnen vinden. Juist tijdens een crisis hebben we die afstand hard nodig. Zo’n vorm van afstand nemen valt depreciërend als ‘escapisme’ te typeren. Maar zulk escapisme is wel veel meer dan zomaar een vrijblijvend tijdverdrijf. De Grieken en Romeinen wisten ook al dat er een onduidelijk maar onmiskenbaar verband bestaat tussen gezondheid en het vermogen om te lachen. Door afstand te nemen blijft het hoofd koel en vallen we minder snel om. Ernstige zaken komen later wel weer.