Je kijkgeschiedenis als je ware ik – met nieuwe zelfhaat

Algoritmes Wie via streamingdiensten films kijkt, valt al gauw op dat bepaalde komedies steeds als aanbevolen opduiken. Hoe kan dat? En waarom steeds ‘The Intern’?

De eerste scènes van komedies zijn vaak de beste. Je weet nog niet wat het gaat worden; welke middelen de makers in zullen zetten en of ze mikken op een glimlach of een schaterlach. Zoals films vaak eindigen met uitzoomen en een camerabeweging naar boven, naar de lucht, zo beginnen ze vaak met inzoomen. De Amerikaanse film The Intern doet dat klassiek. Het eerste beeld toont van dichtbij de kruinen van bomen voorzien van vers groen, nog geen zomer maar volop lente. Een nieuw begin. Behalve muziek klinkt er ook vogelgefluit. De camera zakt langzaam naar beneden en onthult dat de bomen in een park staan. Wat gaat hier grappig zijn? Groen, blaadjes?

De camera daalt verder en onthult paden en enkele wandelaars. Dan zijn we bijna bij de grond, op ooghoogte van een mens, en zien we een groep mensen die tai chi aan het doen zijn. Letters hebben dan al duidelijk gemaakt dat Robert De Niro de hoofdrol zal spelen. Dus zoeken we hem tussen de beoefenaars, die, hoe ze ook gefilmd worden, een licht komische indruk maken. De reputatie van De Niro uit andere films versterkt die indruk. We horen hem voor we hem zien. Na de eerste cut zwengt de camera opzij en zien we de acteur uit Taxi Driver en Raging Bull in vrijetijdskleding zijn armen spreiden. Een harde cut en dan zegt De Niro, ditmaal te zien in een huiskamer, in een pak: „Mijn vrouw is nu drie jaar dood en ik mis haar vreselijk.” Kunnen we nog steeds alle kanten op?

Een langzame film in een park en een huiskamer over een oude man die zijn vrouw mist. Dit is het begin van een komedie die ik altijd aangeraden krijg als ik Netflix of een andere streamingdienst open, thuis, in een vliegtuig of in een hotel. The Intern! Ook met Anne Hathaway en Rene Russo, geregisseerd door Nancy Meyers, in de bioscoop uitgebracht in 2015 en op de Internet Movie Database voorzien van de score 7,1.

Er moeten toch betere films in die streamingkelders te vinden zijn, komedies die op IMDb geen zeven plus scoren maar minstens aan acht min. Waarom niet The Favourite, Sorry to Bother You, Inside Out of zelfs de Lego Movie, om films van de laatste jaren te noemen die allemaal onder de vlag komedie kunnen varen. Waarom altijd The Intern? Zelfs Anna Hathaway heeft in betere films gespeeld, om van Robert De Niro maar te zwijgen. Waarom krijg ik nooit The King of Comedy van Martin Scorsese aangeraden?

Het kan natuurlijk zijn dat door een of andere kosmische flater deze komedie altijd aan iedereen aangeraden wordt, een onherstelbare fout in elk systeem. De prijs die we voor al dat kijkgemak moeten betalen. Het kan ook zijn dat de film een soort grootste gemene deler is, de komedie die iedereen het minst vervelend vindt. Je kunt je er geen buil aan vallen. „The Intern is weer zo’n prettige publieksfilm die op lichte en amusante wijze discussies over leeftijdsdiscriminatie en vrouwen op de werkvloer aan de orde stelt”, schreef NRC Handelsblad. De Volkskrant koos als epitheta soft, goedgemutst, sympathiek en zachtmoedig feministisch.

De kans is groter dat ik The Intern aan mezelf te danken heb. Leeftijd, geslacht en het feit dat ik inderdaad alle films die Meyers eerder regisseerde gezien blijk te hebben – al dan niet op een streamingdienst – moeten daaraan hebben bijgedragen. The Parent Trap (1998), What Women Want (2000), Something’s Gotta Give (2003), The Holiday (2006) en It’s Complicated (2009), allemaal geen meesterwerken en kennelijk toch trouw bekeken, al was dat zeker niet uit bewuste trouw aan de maker – Meyers is niet het soort regisseur van wie de meeste mensen de naam paraat zullen hebben. Netflix c.s. schenkt de klanten met dit soort onontkoombare aanbevelingen naast veel chill ook een nieuwe vorm van zelfhaat. Je kijkgeschiedenis als je ware ik. Achter de term guilty pleasures kun je je niet meer verschuilen als ze de hoofdmoot zijn geworden.

Door de komst van de streamingservices is het moeilijker geworden om een filmsnob te zijn. De Amerikaanse schrijfster Elisabeth Donnelly schreef een half jaar geleden in een essay voor Vanity Fair dat het nooit makkelijker geweest is dan nu om een goede film te kijken – in theorie. Maar de praktijk is anders. Algoritmes en aanbevelingen zorgen ervoor dat je die goede film nog steeds niet bereikt. Ze haalt Bruce Springsteen aan, die in 1992 klaagde over televisie: „Fifty-seven channels and nothin’ on.” Ze eindigt haar stuk weer met de muzikant: „Perhaps Springsteen could write another song summing up the state of at-home entertainment today, an epic about the agony and the ecstasy of having everything available yet only watching Friends repeats.”

Lees hier de oorspronkelijke recensie van ‘The Intern’

The Intern had ik tot nu toe uit een soort zinloze rebellie nog steeds niet uitgekeken. Nu wel. Vooruit dan maar. Met elke minuut voel ik me zoeter verslagen. De kortste samenvatting van de premisse: een weduwnaar is met pensioen, verveelt zich en wordt stagiair bij een hippe start-up.

De film eindigt weer in het park, waar de camera nu braaf uitzoomt. Is het verbeelding of zijn de bladeren groter geworden dan aan het begin? Het zou een wonderlijk staaltje van realisme zijn in een film die zich daar verder weinig aan gelegen laat liggen. It’s the genre, stupid! The Intern is een feelgoodfilm, een genre dat vaak een nog slechtere pers krijgt dan de romantische komedie. Falen ligt in dit genre meer voor de hand dan slagen. Er kan zoveel misgaan en vaak gaat het ook mis. Het zit al in de naam ingebakken. ‘Film die de kijker een goed gevoel geeft, meestal een film met een niet erg complexe of diepzinnige thematiek die uiteindelijk goed afloopt’, zegt het woordenboek. Maar de behoefte is onuitroeibaar. Een slechte feelgoodmovie is altijd nog beter dan helemaal geen feelgoodmovie; een middelmatige feelgoodmovie is een geschenk. Drie sterren is vijf sterren. Als Nancy Meyers weer een film aflevert, zal ik weer kijken.