Het land wil de zeelui niet hebben. Het schip wil hen niet laten gaan

Scheepskapelaan Ze voorzien de wereld van spullen, maar niemand maalt om zeevarenden nu ze geen kant op kunnen. Scheepskapelaan Dennis Woodward: „De bemanning is fysiek en mentaal op.”

Zeelui hebben het volgens kapelaan Woodward zwaar. „Bijna niemand mag van de rederijen van het schip af, want een crew-wissel betekent gevaar voor besmetting.”
Zeelui hebben het volgens kapelaan Woodward zwaar. „Bijna niemand mag van de rederijen van het schip af, want een crew-wissel betekent gevaar voor besmetting.” Foto Jean-Paul Pelissier/Reuters

Het is niet makkelijk om Charlie te spreken te krijgen. Eerst moet de kapelaan naar de Maasvlakte rijden, veertig kilometer langs dampende raffinaderijen in het Botlekgebied. Dan moet hij naar de beveiligingskeet van de ECT-containerterminal om zich aan te melden, al weet het personeel prima wie die jonge vent met z’n witte priesterboordje is. Daarna moet hij tien minuten in een truckfile staan, richting de Amazonehaven waar zelfrijdende vrachtkarren en stapelkranen naar eigen inzicht schepen vullen. En als niemand zijn geschreeuw vanaf de pier hoort, moet hij nog eens 25 meter langs een dikke staalwand omhoog klauteren, naar het dek.

En dáár vindt de kapelaan Charlie, een willekeurige Filippijnse zeevarende, al vijf maanden van huis en nog lang niet thuis, snakkend naar een praatje.

Scheepskapelaan Dennis Woodward van de christelijke organisatie ‘The Mission to Seafarers’ moet deze dagen lang zoeken naar de schapen van zijn kudde. Zijn gemeente – daartoe rekent hij alle zeevarenden die hij bedient – is door de pandemie nog meer afgegrensd van de buitenwereld dan ze al was. Veel zeelui mogen niet naar huis, niet aan wal, niet van boord.

Van haven naar haven varen, met een steeds zwaarder gemoed

Het is een dubbele angst die zeevarenden op het water houdt. Het land wil hen niet hebben, omdat ze misschien ziek zijn. Het schip wil hen niet laten gaan, omdat ze níét ziek zijn.

Dus varen ze door, van haven naar haven, met een steeds zwaarder gemoed.

Op het dek kijkt ook Charlie met enige argwaan naar de in cellofaan verpakte chips, snoep en folders met bijbelteksten die de scheepskapelaan overhandigt. Achter hem verschijnt nog een Filippijn en een Pool met helblauwe ogen, ze willen meeluisteren. „The captain knows about it”, probeert Woodward. „Met handschoenen ingepakt! En ik kom niet aan boord. Ik blijf op de loopplank.” Charlie lacht alweer achter zijn mondkapje en begint over zijn zoon van elf, die thuis in lockdown zit. Z’n familie is gezond ja, godzijdank. En jammer dat de father nu niet mee kan eten. Zijn contract met Maersk is bijna afgelopen, zegt hij, maar waar kan hij nu heen? „Het is beter om door te gaan.”

Woodward geeft een kaartje met zijn mobiele nummer. Als ze iets nodig hebben – telefoonkaart, medicijn, gebed – moeten ze hem bellen.

Lees ook: Zeelieden stranden op hun eigen schip

Speuren naar dolende zielen

Veel mensen in de Church of England, de kerk die Woodward tot priester wijdde, houden van de high church, zoals dat heet. Geen rommelige bijeenkomsten vol zang en dans, maar kerk-zijn zoals de grote Rooms-Katholieke zus: ernstig, ceremonieel, institutioneel.

Woodward – die een vrouw en twee kinderen heeft – houdt ook van die kerk. Maar scheepskapelaan zijn past beter bij hem. De haven is de ultieme low church. Hier moet hij speuren naar dolende zielen, verstopt in grote stalen forten. Hij moet in de gaten houden wie wanneer aanmeert, onwillige rederijen overtuigen van het nut van zijn bezoekjes, appen en bellen met wanhopige matrozen en officieren, naar de apotheek of de Lidl rijden als het moet. Eens per maand gaat hij aan boord van de veerpont van Hoek van Holland naar Harwich, om het avondmaal te vieren met tien Filippijnse opvarenden.

Dat kan nu niet, dus heeft hij een paasvideoboodschap ingesproken, met schriftlezing uit Johannes 20 en gebed. Tot zijn plezier ging de video zes veerponten over.

De coronacrisis maakt het werk ondraaglijk voor veel zeelui, zegt de scheepskapelaan. „Normaal is het al heel zwaar om zeevarende te zijn. Maar nu is de bemanning fysiek en mentaal op. Bijna niemand mag van de rederijen van het schip af, want een crew-wissel betekent gevaar voor besmetting. En veel havens weren opvarenden.” Als ze al van boord mogen, is het maar de vraag of ze een vlucht naar huis vinden.

Woodward laat een filmpje zien dat hij kreeg. Drie sombere Indiase mannen zitten op een rijtje in een schip met een mondkapje op. „Ons hoofd is niet stabiel”, zegt de middelste. „We blijven maar denken aan onze families en we weten niet wanneer we naar huis kunnen.”

Medicijnen voorschieten

In de zwaar geïndustrialiseerde en geautomatiseerde wereld van vrachtscheepvaart, raken mensen makkelijk uit zicht, weet de kapelaan. Zeker in deze crisis. Van The Mission to Seafarers in het Midden-Oosten hoorde hij van een schip dat door de rederij nu helemaal aan z’n lot was overgelaten. Het mocht de haven bij Abu Dhabi niet in en dobberde doelloos rond met een handjevol bemanningsleden. „Mijn collega’s brachten maar water en eten.”

Vorige week stond hij zelf nog bij de apotheek van het Erasmus MC. Een bemanningslid had hem in wanhoop gebeld. Zijn cruciale medicijnen waren bijna op en hij kon niet aan land om nieuwe te halen. De rederij hielp niet. Woodward moest in het ziekenhuis 600 euro voorschieten. En omdat niemand van de rederij aan boord durfde, is hij zelf de medicijnen maar gaan brengen in een wit papieren tasje. Een paar dagen later kocht hij een mand vol scheerschuim en zeep bij de Lidl, voor een crew die zonder zat.

Woodward rijdt een stukje verder over de kade. Zodra hij een paar bemanningsleden ziet op een dek, springt uit zijn elektrische autootje. Hij maakt een praatje, overhandigt een bijbel. „Bedankt dat jullie dit werk blijven doen. Jullie hebben wifi aan boord? Hebben jullie telefoonkaarten?”

Het is al moeilijk om déze mensen te bereiken, zegt Woodward, maar bij de olietankers die voor anker buiten de haven liggen komt hij al helemaal niet. Dat aantal loopt op, nu de opslagtanks vol raken. „Ik wou dat ik een bootje had. Ik heb het loodswezen gevraagd aan iedereen stickers met ons nummer erop te geven.”

Lees ook over Covid-19 op de Westerdam: Het schip is virusvrij, dachten ze

Voicemail

Wie denkt er aan de honderdduizenden onzichtbare Filippijnen en Russen en Oekraïners, vraagt Woodward zich deze weken heel vaak af. Ze voorzien de wereld trouw van spullen en olie, maar niemand maalt om hen.

De kapelaan laat een voicemailbericht horen van een Filippijnse officier, die al bijna elf maanden rondvaart op een olietanker. Het contract van de man liep eind vorig jaar af, maar hij kan niet weg. Woodward probeert hem nu samen met de vakbond naar huis te krijgen, het gaat niet goed met hem.

„Het zwaarste is dat mijn dochter maar blijft vragen wanneer ik thuiskom”, zegt de stem in het bericht, „en ik weet het niet”. Hij huilt. „Ik wil naar huis. Ik wil bij mijn familie zijn. Ik wil gewoon naar huis. Klaar.”