Politieman Ronald Plasmeyer (Ruben van der Meer) werkt zich in de nesten om van een gokschuld af te komen in ‘Plan C’.

Interview

Het Filmfonds zag de humor niet van ‘Plan C’

Plan C Max Porcelijn wilde na zijn afstuderen aan de Filmacademie een Nederlandse genrefilm maken. Zes jaar later zag ‘Plan C’ het licht, de grappigste Nederlandse film van het decennium.

Plan C mag een Nederlandse komedieklassieker worden genoemd. De bizarre Nederlandse misdaadfilm over een mislukte rechercheur (Ruben van der Meer) met gokschulden was geen grote hit in de bioscopen. Maar op de één of andere manier is de film wel blijven hangen in het collectieve geheugen, constateert regisseur Max Porcelijn acht jaar na de release. „Ton Kas, die een van de drie hoofdrollen speelde, staat nu [voor de coronacrisis, red.] in het theater met een solovoorstelling. Vrijwel elke avond wordt hij door fans nog aangesproken op zijn personage Bram. Ze kennen elke zin die hij in de film uitspreekt en hebben zelfgemaakte mokken met Brams beste quotes.”

Porcelijn (nu 39, regisseerde nadien De Grote Zwaen en afleveringen van Penoza en Random Shit) had na zijn afstuderen aan de Filmacademie één grote droom: hij wilde als speelfilmdebuut een Nederlandse misdaadfilm maken. Jarenlang schreef de jonge filmer, die toen zijn geld verdiende met het draaien van reclames, aan het scenario. Hij was ervan overtuigd dat hij uiteindelijk wel zijn beoogde acteurs (Kas en Van der Meer, met wie hij ooit een korte film had gemaakt) en bevriende producent Sander Verdonk mee zou krijgen.

„Genrefilms passen enorm bij Amerika”, legt Porcelijn uit. „In de VS ziet alles er in het straatbeeld prachtig uit: nummerplaten op auto’s, brandkranen. In Nederland is het allemaal heel praktisch, maar ziet het er totaal niet mooi en filmisch uit. Het leek mij heel grappig om een misdaadverhaal in dat kneuterige decor te situeren.”

De jonge regisseur „scheet in zijn broek” toen hij het scenario naar zijn beoogde cast stuurde. Maar zowel Kas als Van der Meer en René van ’t Hof (die de derde hoofdrol moest gaan spelen) zagen de kracht en de lol van het project meteen in. „Hij zag in mij de perfecte antiheld”, blikt Ruben van der Meer lachend terug. „Max is iemand die heel goed is in het scheppen van sfeer, dat had ik al gemerkt bij zijn filmpje op de academie waar ik aan meewerkte. Zijn scenario was enorm nauwgezet en gedetailleerd en de dialogen waren fantastisch.”

Van der Meer speelde zijn Ronald Plasmeyer („zo heette mijn buurman, die naam drukte perfect de man uit die we voor ons zagen”) opvallend ingetogen. „De komedie in Plan C komt voort uit de situatie en uit de bijrollen, niet uit het dik aanzetten van alle ellende waar hij zichzelf in werkt. Ik vind het zelf heel grappig om naar een mislukte man zonder enige zelfreflectie te kijken die allemaal dingen doet waarvan je als kijker denkt: doe dat nou niet! En dat hij het dan tóch doet.”

Het Filmfonds zag de humor van Plan C echter niet in; tot tweemaal toe werd het idee afgewezen. „We kregen ook van die kritiek waar we niets mee konden”, herinnert Porcelijn zich. „Ze zeiden bijvoorbeeld dat er te weinig gebeurde in het eerste half uur; dan moet je gaan uitleggen waarom dat júíst grappig is.” Toch zetten de jonge maker en zijn partners in crime het plan door. „Ik heb al heel vroeg in mijn carrière geleerd dat je in Nederland soms gewoon door moet gaan als je ergens in gelooft”, stelt Van der Meer. „Iedereen had het gevoel dat deze film er móést komen. Dus leverde ik mijn salaris in en werd coproducent. De meeste cast- en crewleden hebben voor niets meegedaan of zelfs geld erop toegelegd.” De gok die de acteur nam leverde hem overigens wel zijn eerste Gouden Kalf-nominatie op.

Producent Verdonk wist uiteindelijk 400.000 euro bij elkaar te sprokkelen voor een film die eigenlijk voor 1,5 miljoen was begroot. „Onder meer de Avro bleef in het project geloven en gaf ons geld, dat was zó tof”, beklemtoont Porcelijn. „Dat sterkte ons ook in het idee dat we niet gek waren maar echt iets moois in handen hadden.” De opnames vonden plaats in dertig dagen; veel betrokkenen deden intussen andere klussen waar ze wel voor betaald werden. „Sander had bijvoorbeeld geregeld dat we in een hotel in Montfoort mochten draaien”, vertelt Porcelijn. „Maar het hotel kon niet worden afgesloten tijdens het draaien. Dus er liepen op zeker moment een paar échte gasten door het beeld, of je hoorde geschreeuw van medewerkers op de achtergrond.”

De montage ging op eenzelfde provisorische manier; voor het mixen van het geluid mochten de makers in de nachtelijke uurtjes gratis de studio van Peter Warnier gebruiken. „We hadden geen enkele adempauze, de trein denderde door. Ik kon alleen varen op mijn eigen gevoel: dit moest worden wat ik zelf heel graag in de bioscoop zou willen zien.”