Opinie

Hoe zou jij woede meten?

Ellen Deckwitz

Dus gistermiddag belde mijn zus, of ik haar oudste (13) asjeblieft even kon uitlaten, ze kreeg moordneigingen van hem. Natuurlijk bezit de doorsneepuber een molotovcocktail aan stemmingen en mijn neef is doorgaans nooit te beroerd om die met de wereld te delen.

„Ik ben er gewoon zo klaar mee”, brieste hij toen we door het park anderhalvemeterden, „altijd thuis zijn, die stomme Zoomlessen, dat ik mijn vrienden nauwelijks zie.”

Hij miste zijn school, de klimhal, de groepen waar geen ouderlijk gezag is, waar je even iets anders bent dan een zoon, een leerplichtige, een minderjarige. De crisis beperkt ons in het aantal versies dat we kunnen zijn. Hij baalt er flink van, en waarschijnlijk ook van het feit dat hij ook gewoon maar een tiener is die gedwongen thuis zit en dus niet op jacht kan gaan naar het andere geslacht.

„Wist je dat de Eskimo’s”, begon ik, waarop hij me toebeet dat het niet ‘Eskimo’ is maar ‘Inuit’.

„Wist je dat de Inuit”, vervolgde ik, „de gewoonte hebben om woede van zich af te lopen? Ze nemen dan een stok, gaan de deur uit en wandelen net zolang rechtdoor tot ze niet meer nijdig zijn. Zodra ze dat punt hebben bereikt, steken ze de stok in de sneeuw, om aan te geven hoe ver hun boosheid ging. Je kan daardoor dus woede meten!”

„Jezus wat een onzin zeg”, bitste hij, „afstand zegt toch helemaal niets over hoe boos je was. Als je witheet bent, loop je een stuk sneller dan wanneer je gewoon pissig bent, maak je stapels endorfinen aan die je stemming verbeteren en ben je dus veel eerder klaar.”

‘Hoe zou jij boosheid dan meten?” „Ja gewoon, weet ik veel, hoeveel calorieën je hebt verbrand ofzo.”

„Dus hoe beter je eruitziet als je terugkeert, hoe bozer je was?”

Hij grinnikte.

„Dan zouden mensen haast blij zijn wanneer iemand hen giftig maakt”, zei hij, „zo van ‘oké je was even een eikel maar ik ben toch weer een kilo kwijt dus bedankt’.”

Toen jogden er twee meisjes in strakke sportleggings voorbij. Mijn neefje staarde hen na en keek weer bedrukt. Een wereld waarin hij meer kan zijn dan een potentiële viruskoerier leek weer even heel ver weg.

„Laten we naar huis gaan”, zei hij sip. We liepen terug door een stad met genoeg ruimte om van zijn woede af te komen, maar waar nergens de mogelijkheid was om haar oorzaak weg te nemen. Waar afstand alleen maar kon worden afgelegd, in plaats van overbrugd.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.