Aardige jongens in het land van de korte lontjes

Zap In de documentaire Carrousel volgen we probleemjongeren in de Rotterdamse instelling De Nieuwe Kans. Het gaat moeizaam, maar het gaat.

Risicojongere Tayfun (19) in Carrousel (VPRO)

Risicojongere Tayfun (19) in Carrousel (VPRO)

Er zijn twee soorten jongens. Je hebt aardige jongens die tijdens een belangrijk telefoongesprek om even geduld vragen omdat ze zijn aangesproken op straat. Je hoort dan hoe ze een vrouw heel precies de weg wijzen naar de Pleinweg. „Ziet u dat stoplicht daar? Welk nummer heeft u nodig? Ziet u die fietser? Daar moet u een klein stukje rechtdoor en dan rechtsaf. Aan uw rechterhand is dan de wasmachinewinkel.” Nee hoor, geen dank, is prima mevrouw.

Je hebt ook niet zo aardige jongens. Onhandelbaren die tijdens een les naar goksites surfen of die als ze met een schaar een klusje zitten te doen boos „niet aanraken graag” snauwen. Binnen een minuut draaien ze zich vast in een conflict met een begeleider over chocolademelk. „Ga niet me hoofd heet maken in de ochtend!” Na een nieuwe aanmerking krijgt de ruzie de trekken van slam poetry: „Praat me niet over energie-dit-dat-kit-kat.”

U heeft het al geraden: die ene jongen ís de andere. De achttienjarige Nabil is een van de risicojongeren die bij de Rotterdamse instelling De Nieuwe Kans richting een baan worden geleid. Alleen hulpverlener Toine heeft vat op hem. Toine is ruim honderd kilo gemoedelijkheid, maar hij heeft ook 21 jaar bajes op zijn cv. Respectabel. Hij vertelt de jongeren dat hij schilderijen van gevangenisramen maakt. Die niet verkopen, want niemand wil naar gevangenisramen kijken.

Het is snakken naar een goede afloop in Marina Meijers documentaire Carrousel (VPRO), maar de titel geeft al aan dat die niet altijd in het verschiet ligt. Tekenend is dat als een zekere Arjen zich telefonisch meldt voor een afspraak, een van de hulpverleners vraagt: „Voor de víérde keer?”

Meijer filmt de jongeren en hun hulpverleners van dichtbij en schrijft haar kijkers niet voor wat ze moeten denken of voelen. Duidelijk is dat we verblijven in het land van de korte lontjes. De negentienjarige Tayfun is zéér vastbesloten om te slagen en een baan in de bouw te vinden, maar ook hij heeft een geschiedenis, door hemzelf aldus verwoord: „Toen was er nog geen ADHD. Als je een kutjong was, was je gewoon een kutjong.” Meer uitleg wil hij niet geven: „Sommige dingen zitten zo diep in mijn hoofd, dat je ze moet laten zitten.”

Tayfun werkt als een paard, maar als hij samen met een andere jongen iets met een stapel pallets moet uitvoeren, blijkt hoe wankel het evenwicht is. Plotseling zegt hij: „Je werkt langzaam broer, daar kan ik niet tegen.” Er volgt een korte uitwisseling over dingen voor het eerst doen, vegen en sjouwen – binnen een halve minuut staan de twee met de voorhoofden tegen elkaar. „Raak me dan aan! Raak me dan aan!” Het wordt net geen vechten.

Ronduit aandoenlijk is hij als hij een sollicitatiegesprek moet voeren en probeert de vragen die raken aan problemen uit zijn verleden te ontwijken met onzekere anekdotes over behulpzaamheid. Dan volgt de grote sollicitatievraag, die in de context van de worstelende probleemjongere iets volslagen absurds heeft: „Waarom denk je dat de steigerbouw het is voor jou?” Meijer laat het antwoord niet zien, waardoor ik de rest van de avond kon hopen dat Tayfuns antwoord was: „Omdat er steigers zijn.”

Nabil bleef zich misdragen, hij zat ineens met een blauw oog in de les. Zelfs Toine drong niet meer tot hem door en wees de jongen („Moet ik weer op het verkeerde pad gaan lopen?”) de deur. Lawaai op de gang. Toine hees zijn kolossale lijf op uit zijn stoel: „Even kijken of hij mijn lift niet sloopt. Ik wil niet straks met de trap moeten.” Daar stopt de film, maar de carrousel draait door.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.