Reportage

Maria en haar gezin: 72 m2 met z’n zevenen

Hoe beleven de bewoners van de L-flat in Zeist de coronatijd? Maria heeft astma en is bang. Ze blijft het liefst binnen. Met haar man, moeder en vier jonge kinderen. Tekst:
Maria en haar gezin blijven zo veel mogelijk binnen.
Maria en haar gezin blijven zo veel mogelijk binnen.

Lees de online versie van dit artikel op nrc.nl/flat

Maria Vejsel (39) lag twintig dagen aan de beademing en zeventien dagen in coma. Artsen vreesden haar kwijt te raken. Het speelde zes jaar geleden. Een niersteen was de boosdoener. Die veroorzaakte ontstekingen in heel haar lichaam. Ze kreeg driemaal een klaplong en hield er astma aan over. De kilometer fietsen van haar L-flatportiek naar de Jumbo in het winkelcentrum voelt sindsdien als een tocht van „tien kilometer”.

Dus ja, Maria vreest corona, de sluipmoordenaar. Haar man heeft suiker en een hoge bloeddruk. Maria’s hulpbehoevende moeder van 72 die praktisch bij hen inwoont, heeft suiker en had drie keer kanker. Een hogere kans op ellende in het geval van besmetting kan een huishouden nauwelijks hebben. Maria en haar man hebben vier kinderen, vertelt ze telefonisch. Een zoon in de brugklas en dochters in groep twee, drie en vijf. Een van de meisjes klaagde laatst over keelpijn. „Keelpijn, dat was vroeger niets”, zegt Maria. „Nu maakt alleen het wóórd me al bang.”

Ze blijven zo veel mogelijk binnen. Met z’n zevenen in een appartement van 72 vierkante meter, op vier hoog. Voor dit telefoongesprek heeft Maria zich afgezonderd in een klein kamertje. „Anders hoor ik je niet.”

Maria komt uit Macedonië. Als meisje ontvluchtte ze haar land met haar ouders, weg van de oorlog. Na vier jaar Duitsland belandden ze in Nederland. Zeventien maanden in een azc in Groningen, toen via Rijnsburg naar Zeist.

Met haar man, ook een Macedoniër, betrok ze in 2001 een woning in de Geroflat, pal naast de L-flat. In 2014 verhuisden ze naar Driebergen. Eindelijk een eengezinswoning. Maar omdat ze daar prompt zo ziek werd – die niersteen – dat ze bijna doodging, wilde Maria weg uit dat huis. De L-flat had plek.

„De kinderen waren dolblij”, zegt ze. „Ze kenden het hier. De school, de voetbalkooi.” Ook Maria zelf woont hier met plezier. Zij en haar man hebben veel vrienden in de flat, Macedoniërs die ze al jaren kennen. Zelfs hun buren zijn Macedoniërs. In de zomers zit de vriendengroep graag in het park achter Maria’s portiek. Soms wel met z’n twintigen zijn ze. „De L-flat wordt Macedonisch!”, grappen ze onder elkaar.

Aan de rand van dat park, zonovergoten en leeg, voeren we een week later een tweede gesprek . Maria en haar drie dochters zitten op een bankje, de journalist er op afstand tegenover op een meegebrachte kampeerstoel. De meisjes hebben rode lippenstift op en de oudste draagt blauwe, plastic handschoenen. Ze hoopt dat het de kans op besmetting verkleint. Gisteren, ook een stralende dag, zijn ze niet buiten geweest. De jongste probeert alsmaar het muurtje achter het bankje te beklimmen. „Ik wil naar het párk”, zegt ze. Ze zal het een paar keer herhalen, steeds harder.

„Ik vind het moeilijk hoor”, zegt Maria over het binnenleven. „Vooral het juf spelen voor vier kinderen. Ik heb eigenlijk geen moment rust.” Haar man kan niet echt goed helpen, vertelt ze: hij is niet in Nederland naar school gegaan. Maria deed vmbo. Ze werkte als administratief medewerker en boekhouder tot ze – enig kind – de zorg voor haar moeder op zich nam. Haar man is arbeidsongeschikt verklaard.

Een juf heeft haar gezegd dat de basisschool te hulp kan schieten als ze het thuis niet meer aankan. „Ze had het over hulp van studenten.” De school, pal achter de L-flat, bevestigt: ze zoeken samenwerking met studenten ‘social works’ van Hogeschool Utrecht. Idee is dat zo’n tien studenten kinderen ondersteunen die extra hulp kunnen gebruiken. De directeur van de school denkt dat eenderde van de honderdtachtig leerlingen in aanmerking komt.

Vanaf onze zitplaatsen kunnen we Maria’s appartement zien, met aan de achterzijde een groot balkon. Is dat een fijne uitwijkplek nu? Nee, zegt Maria. „We komen er bijna niet. Ik zag er laatst een dode muis. En er zijn hele rare insecten. Van die grote. Een soort kakkerlakken.”

Maria, haar man en hun kinderen komen soms nog op straat – even naar de voetbalkooi, de supermarkt, de voedselbank op vrijdag. Voor Maria’s moeder vinden ze dat te riskant. Haar enige buiten is de galerij aan de voorzijde van de flat, voor Maria’s voordeur. Met z’n allen zitten ze er soms. „Wel zo gezellig”, zegt Maria. Ze hebben er uitzicht op naaldbomen naast het parkeerdek, de stoep voor de portiek en de honderden strekkende meters van de flatgalerij.

„Ik wil naar het párk”, zegt de jongste dochter hard. Het klinkt als een aanklacht nu. Het gesprek is voorbij, de meisjes rennen de speelweide in.

Lees eerdere afleveringen op nrc.nl/deflat