Opinie

Dag veertig zou de laatste moeten zijn

Dagboek Coronavirus

Het is dat ik de procedures niet ken om gehoord te worden door het Etymologisch Hof, want anders zou ik via een kort geding met ingang van morgen een hervatting van het leven eisen. Dit is de veertigste dag van onze quarantaine en op woordafleidkundige gronden zou het de laatste moeten zijn.

Sommige regio’s proberen kieren in de lockdown te forceren, maar de regering in Rome wil daar vóór 3 mei niet over praten. Ik heb dus nog minstens twee volle weken om mij op te winden over het etymologisch onrecht dat ons wordt aangedaan.

De cijfers van het dagelijkse virusbulletin van zes uur hebben plaatsgemaakt voor andere cijfers. Bijna de helft van de beroepsbevolking van Italië in de private sector, elf van de drieëntwintig miljoen, is haar baan kwijt of krijgt geen salaris meer en heeft een beroep gedaan op staatssteun. Vier miljoen zelfstandigen hebben een aanvraag ingediend voor de eenmalige uitkering die is toegezegd. Een vijfde van de inwoners van Genua bevindt zich op of onder de armoedegrens. Er worden voedselbonnen uitgedeeld, maar het budget is niet toereikend.

Dit is geen pauze waarna de film verder gaat. Dit is een periode waarin we de adem inhouden voordat de nieuwe wereld op ons wordt losgelaten. Deze stilte is omineus. De rust die ons moest redden, is in stilte bezig onze toekomst zwart te kleuren.

De fontein op Piazza De Ferrari spuit voor de meeuwen. Verkeerslichten op Via Dante en Via XX Settembre blijven met stompzinnige halsstarrigheid op rood en op groen springen. Het getik van de signalering voor blinden kun je op honderden meters afstand horen. In Camogli, een badplaats even ten oosten van Genua, waar het toeristenseizoen rond deze tijd van het jaar zou behoren los te barsten, liep gisteren een hert over de uitgestorven boulevard.

Schrijver Ilja Leonard Pfeijffer woont in Genua. Op deze plek schrijft hij over de impact die het coronavirus heeft op het leven daar.