Opinie

Oorlogstaal in een ongekende crisis: mogen we al een beetje afschalen?

De ombudsman

Heel langzaam moet Nederland weer „open” gaan, liet de premier weten in zijn corona-persconferentie. Je snapt wat hij bedoelt, al voelt het ook vreemd: alsof het land een winkel is.

Dat is het punt met „coronataal”, waar tal van media aandacht aan hebben besteed. Er is al een ‘coronawoordenboek’ van weblog Taalbank, en ook de NRC- eindredactie stuurde wenken rond over spelling en clichés („in tijden van corona”).

Zoiets kan lichtvoetig zijn, zoals in Ewoud Sanders’ Woordhoek over combinaties als „coronahamsteraars” en „coronababy”. Maar inmiddels is het natuurlijk bittere ernst. Dat uit zich in andere taal: we zijn in „oorlog” met corona, artsen en verpleegkundigen zijn „helden” in de „frontlinie”. Zulke heroïsche taal is niet meer dan begrijpelijk; wij zitten bangelijk binnen en zij zwoegen buiten, met gevaar voor eigen leven.

Maar taal is ook altijd onderwerp van discussie.

Tijdens een eerdere noodsituatie – de vluchtelingencrisis van 2015 – klonk kritiek op het taalgebruik over vluchtelingen als een „stroom” die moest worden „ingedamd”. Zulke „watertaal” dehumaniseert mensen én suggereert dat we te maken hebben met een soort natuurramp.

Bij corona is het andersom: dat virus wordt nu juist gehumaniseerd: als een „vijand” die ons aanvalt en met wie we in „oorlog” zijn. Het voordeel van zulke metaforen is dat ze abstracties „behapbaar” maken en mensen tot actie motiveren, aldus een taalkundige in het Dagblad van het Noorden. Nadeel is dat ze mensen bang en emotioneel kunnen maken, een waarschuwing die ook in deze krant klonk.

In NRC werd, voor zover ik heb nagegaan, de oorlog vooral gebruikt in citaten (en dan met name van Franse politici, Macron voorop). Het woord dook ook op in opiniestukken, soms in expliciete vergelijkingen. Herman Vuijsje trok een parallel met de Tweede Wereldoorlog, die (uiteraard „ongekende”) moed en solidariteit voortbracht. Redacteur Economie Egbert Kalse liet economen de verwijzing naar een oorlogseconomie uitleggen: het stilleggen van delen van sectoren, sterke sturing en investeringen door de staat. Geert Mak en coronacolumnist Ilja Pfeijffer wezen juist op verschillen: recessie in plaats van dynamiek (Mak) en lafheid in plaats van moed (Pfeijffer). Maar de economen kregen bijval van het IMF, dat deze week sprak van een crisis als in de jaren dertig of een oorlogssituatie, zonder zicht op duur van de schok.

Oorlogstaal is ook een gewild politiek instrument. Goed dus dat de krant stukken bracht over het gebruik van zulke metaforen door politici. Inclusief nationale verschillen: bij Rutte zijn oorlogstermen tot nu toe afwezig, Duitsers mijden ze, Fransen grossieren er bijna in. Ook Ewoud Sanders wees in zijn rubriek op de risico’s van de huidige, angstaanjagende „fronttaal”.

Wordt het te veel? Op Twitter is onder de hashtag ReframeCovid in elk geval een initiatief op gang gekomen om meer „diversiteit” aan te brengen in coronataal, met name door alternatieven te bieden voor die oorlogsmetaforen. Geopperd werd al „winterslaap” (voor de sluimertoestand waarin de economie is beland), zo lees ik op een blog over neerlandistiek. Ook „bergtocht” kwam langs, voor de besmettingscurve van corona. En de vergelijking van een samenleving-op-afstand met een orkest dat pianissimo speelt.

Toch zullen oorlogsmetaforen niet geheel uit te bannen zijn – ze vertolken een breed gedeeld gevoel. De vervreemdende tweespalt tussen thuis zitten en de taferelen in ziekenhuizen roept associaties op met een bezetting: mensen eten een ijsje in de zon, terwijl elders doden vallen.

Maar het blijft zaak spaarzaam met zulke vergelijkingen om te gaan en zeker niet klakkeloos.

Dan is er „ongekend”. Op veilige afstand nu al het woord waar de media geen groepsimmuniteit tegen hebben opgebouwd.

Het woord regeert op televisie, maar duikt ook in NRC geregeld op. Zoals in Italië, waar de regering „ongekend draconische” maatregelen nam. Daarna in heel Europa, waar de redactie een „ongekend experiment van isolatie” op gang zag komen. Uiteraard heet de miljardensteun aan bedrijven „ongekend”, evenals de tomeloze inzet van het zorgpersoneel, de bezetting van ziekenhuisbedden, het uitstel van het EK voetbal en onze gemiddelde levensverwachting. De leegte in het Amsterdamse Concertgebouw was zelfs „volstrekt ongekend”, las ik. En „ongekend” was ook, volgens een ironische columnist, „een premier die een beroep doet op onze verbeeldingskracht”. Ik zag het opduiken als trefwoord boven een artikel („Ongekend”), maar dat ging dan weer over een miskende vrouwelijke wetenschapper.

Ongetwijfeld zijn al die ongekendheden inderdaad ongekend. Toch ligt inflatie op de loer. Dan kan „ongekend” afglijden naar de leegte van het breed ingeburgerde „heftig”, een verbale emoticon waarmee je vooral uitdrukt dat iets je iets doet. Maar wát? Taal is rijker dan dat, ook de Nederlandse. Remco Campert schreef niet Het leven is heftig, zomin als Mulisch zijn bombardementsroman Het heftige bruidsbed noemde.

Aan te bevelen is dus „ongekend” af te wisselen met andere woorden of combinaties die hetzelfde uitdrukken: dat iets nog nooit eerder is vertoond (of dat de journalist zich er tenminste geen eerdere voorbeelden van weet te herinneren). Die zijn er volop, zoals „uniek”, „weergaloos”, „uitzonderlijk”, „kolossaal”, „zonder precedent” en vast nog andere.

Je kunt het ook weglaten, natuurlijk. Zo langzamerhand beginnen we het ongekende te kennen. Om het in coronataal te zeggen: geleidelijk „afschalen”, dat mag inmiddels wel.

Reacties: ombudsman@nrc.nl

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.