Opinie

Klokken van hoop

Tommy Wieringa

Woensdagavond kwart voor zeven besteeg de klokkenluider de trappen van de Amsterdamse Oude Kerk om de klokken van hoop te luiden. Op ooghoogte met zijn suède schoenen volgde ik naar boven. De stad, door het virus van haar zonden beroofd, bleef in de diepte achter. Op de luidzolder hingen vier klokkentouwen, de klokken heetten Hoop, Geloof, Liefde en Vrijheid. De toren en de luidklokken werden gedragen door zware eiken balken, al eeuwenlang krasten werklui hun hartstochten in het hout. Door een stofbeslagen raampje viel laat, groezelig zonlicht op het plankier. Klokke zeven hingen we in de touwen, ik luidde de Liefde. Een schitterend kabaal barstte boven onze hoofden los. Niemand daar beneden wist dat het de klokken van hoop waren die daar klonken, en dat ze voor hen klonken. Hoe anders was dat eeuwen geleden, toen klokken de boodschappers waren van de stad. In Huizinga’s Herfsttij der Middeleeuwen klinkt dat zo: „De klokken waren in het dagelijks leven als waarschuwende goede geesten, die met bekende stem dan rouw, dan blijdschap, dan rust, dan onrust kondigden, dan opriepen, dan vermaanden. Men kende hen bij gemeenzame namen: de dikke Jacqueline, klokke Roelant; men wist de betekenis van kleppen of luiden. Men was ondanks het overmatig klokgelui niet verstompt voor de klank.”

Onverschillig voor het gelui liepen nu de laatste verdoolde zielen door de rosse buurt. Drie studenten hingen in adembenemende uniformiteit in een kunstleren driezitsbank aan de gracht. Aan hun voeten hadden ze identieke blauw-wit gestreepte badslippers, ze waren zelfs identiek gekapt. Sinds ze zo raak door Jiskefet werden geïmiteerd, gaan zulke jongens door voor slechte kopieën van die imitatie. De hosselaars hadden niks te hosselen, de toeristen waren thuisgebleven, de hoeren hadden hun werkzaamheden gestaakt. Een laatste bezoeker maakte een verbaasde foto van een verlaten straat waar gewoonlijk alle talen van de wereld klonken. De winkels met seksartikelen en souvenirs bleven leeg, verwaaid waren de cannabisdampen.

Een kwartier lang trokken we aan de touwen, waarbij de klokken soms wonderbaarlijke harmonieën voortbrachten en soms hun eigen gang gingen. Het hele lichaam werd ervan doortrokken, de bronzen stemmen weergalmden in ons zoals in de toren. Toen het kwartier voorbij was, lieten we de touwen los. Alsof ze gehoorzaamden aan het fluitspel van een slangenbezweerder gingen ze nog een tijdlang op en neer, bewogen door het klokkenwiel en de uitzwaaiende klok; met gevoelens van spijt hoorden we het gelui langzaam wegebben.

Over smalle houten trapjes klommen we verder de toren in om de stad vanaf grote hoogte te zien. Door een laag deurtje kwam je op de ommegang waar de speelklokken van het carillon hingen, sommige nog gegoten door de gebroeders Hemony, andere door de koninklijke Eijsbouts in Asten, voorzien van het trotse randschrift EIJSBOUTS GOOT MIJ VOOR DE OUDE KERK. De hemel was helder als op de eerste dag, we konden kijken zover we wilden. Vreemde, nieuwe wereld. Ze ruiste minder. Amsterdam in de diepte; de stille doodsheid van een decor. Achter de horizon werden hier en daar zendmasten in brand gestoken – voor een plaag van deze orde moest er immers wel een schuldige zijn. Voor de een waren het Chinezen, voor de ander de Amerikanen, weer anderen bezwoeren je dat deze hele ellende was voorkomen als we allemaal halal zouden eten. Je kon het zo gek niet verzinnen of het werd verzonnen. Meest actief echter waren de aanhangers van de bewering dat het virus een stralingsziekte was – met tankjes benzine en aanstekers slopen ze rond de zendmasten. Een ontmoeting van hoogwaardige technologie en primitieve afweer. Gelukkig maar: tijdens de pestepidemie gingen ze nog op de Joden af. Vooruitgang.

Tommy Wieringa schrijft elke week een column op deze plaats.