Opinie

Het antwoord op corona moet een pleidooi tegen argeloosheid zijn

Weerbare economie

Commentaar

Het was te verwachten, maar de bevestiging kwam deze week toch als een schok: de wereldeconomie gaat op dit moment door haar zwaarste periode in vredestijd sinds de Grote Depressie van de jaren dertig van de vorige eeuw. Een flink stuk van de bedrijvigheid is op slot. Bedrijfstakken die werken voor de export zien hun buitenlandse markten wegvallen. Toerisme bestaat nu vrijwel niet meer. Zakenreizen ook niet.

Het openbare leven is tot stilstand gekomen. De culturele sector is gestopt. Hotels, restaurants, cafés staan leeg. Musea zijn dicht. De flexibele baan, grotendeels een product van de afgelopen twintig jaar, zorgt voor het acuut wegvallen van inkomen van miljoenen mensen. De lijst is zeer lang.

Wat nog abstract is, zal de eerstvolgende maanden concreet worden. In cijfers over de productie, werkloosheid, consumptie of investeringen. In al die huishoudens die, ondanks overheidssteun, het inkomen zien verminderen of wegvallen terwijl de verplichtingen onbarmhartig doorlopen. En in al die bedrijven die, tot hun verbijstering, nu opeens wankelend op de rand van de afgrond blijken te staan.

Wereldwijd springen overheden in. En ook al verschillen de plannen in detail, in wezen komen ze er allemaal op neer dat de staat kortstondig voor economie speelt, nu de échte economie er even niet kan zijn.

De overheid steunt inkomens, betaalt salarissen door, garandeert en geeft leningen aan bedrijven. Ook dat heeft straks gevolgen. Begrotingstekorten en staatsschulden lopen op in een tempo tot een niveau dat vergelijkbaar is met een economie in een oorlogssituatie.

De vraag rijst waarom burgers én bedrijven zo kwetsbaar zijn. Een pandemie, en de bestrijding daarvan, verwoesten welvaart. Dat moet zo zijn. Maar de mate van schade hangt samen met de reserves die er zijn. En die buffers zijn de afgelopen kwarteeuw erg geslonken. Juist dit jaar viert West-Europa 75 jaar bevrijding, en dus ook 75 jaar van vrede, veiligheid en rust. Sinds de val van het communisme in 1989 is ook de laatste dreiging opgeruimd.

Voorraden zijn er voor de zwarte dag, mocht die eens aanbreken. Maar hoe langer die dag uitbleef, hoe meer de voorraden zijn afgebroken. Ze legden beslag op kapitaal dat vervolgens lag niets te doen. Bedrijven zijn elkaar daarom ‘just in time’ gaan leveren, in een fijnmazig netwerk van onderlinge transacties dat de wereld omspant. Want die wereld zou veilig en voorspelbaar blijven.

Zo’n rimpelloze toekomst stimuleert het maken van schulden. De tegenhanger daarvan, het eigen vermogen, is geslonken. Bedrijven hebben weinig financiële reserves meer. Veel huishoudens evenmin. Het verklaart mede waarom er nu, na luttele weken, al zoveel acute steun nodig is.

Voorraden zijn ook strategisch verwaarloosd. Er blijken te weinig medicijnen te zijn om een klap op te vangen, te weinig medische apparatuur. Te weinig beschermende goederen. Zelfs de bezuinigingen op defensie zijn een blijk van voorraadverwaarlozing: wat heb je aan een leger als de vrede eeuwig lijkt te duren?

Totdat het allemaal nodig is. De internationale strijd van allen tegen allen om de laatste zending mondkapjes, het confisqueren van beademingsmachines, de run op medicijnen en grondstoffen illustreren dat in tijden van crisis het eigen, nationale belang prevaleert. De internationale voedselketens dreigen nu uit elkaar te vallen omdat veel landen de eigen voedselvoorziening voorop stellen.

Het antwoord is geen pleidooi voor zelfvoorzienendheid, wel tegen argeloosheid. Er zal beter moeten worden gekeken naar voorraden voor in tijden van nood. Het fiscaal bevoordelen van schulden boven vermogen zal moeten worden heroverwogen. ‘Lean and mean’ was het adagium van de afgelopen decennia. Een beetje meer vlees op de botten zou in de toekomst geen kwaad kunnen.