Wie naar zijn tweede huis ‘vlucht’ is daar niet altijd welkom

De stad uit Overal ter wereld trekken de meer welgestelden naar hun tweede huis buiten de stad. Zuid-Europeanen gaan graag terug naar hun dorp van herkomst.

De Spaanse politie controleert de papieren van een vrouw in de buurt van de Franse grens.
De Spaanse politie controleert de papieren van een vrouw in de buurt van de Franse grens. Foto Alvaro Barrientos/AP

De pueblos blancos van Cádiz vormen een magisch decor van wit-gepleisterde huisjes tussen groene bergen. Je dwaalt er door de smalle straatjes, strijkt neer op een van de vele terrasjes, bestelt een glas droge sherry bij een schaal gefrituurde visjes uit de nabijgelegen zee. Maar nu even niet.

Door het coronavirus zijn niet alleen de barretjes en restaurants dicht, ook dorpjes zelf zijn afgesloten. Ze hebben hun toegangswegen geblokkeerd met blokken beton, ladingen aarde of balen hooi: alles om te voorkomen dat buitenstaanders het virus meebrengen. Dorpelingen zijn alert op nummerborden van buiten de provincie of regio. In WhatsApp-groepen wordt besproken in welke normaal onbewoonde huisjes ineens licht brandt. Zo nodig wordt de Guardía Civil of gemeente gebeld.

Lees ook de column van onze correspondent Melle Garschagen, hij vluchtte uit Londen naar Wales

Half maart, toen de Spaanse regering een strenge landelijke confinamiento (lockdown) afkondigde, kwam uit Madrid en Barcelona een uittocht op gang van mensen die naar een tweede huisje vertrokken. Spanje was hierin allesbehalve uniek. Wereldwijd zagen vermogende stedelingen snel in dat weken thuisisolatie beter uit te zitten zijn in een vakantiewoning op het platteland dan in een krap appartement in de grote stad. New Yorkers vluchtten naar de goudkust van de Hamptons. Parijzenaars naar hun huizen aan de Mediterranée. Teherani’s naar badplaatsen aan de Kaspische Zee. Londenaren naar hun cottage in Cornwall.

Dat roept ook tegenreacties op. De regionale Franse krant Sud Ouest drukte een foto af van een villaschutting op het schiereiland Cap Ferret, beklad met de tekst: „Paris go home virus!”. Twee bekende schrijfsters die vanaf het Franse platteland de romantische zijde van hun zelfverkozen ballingschap beschreven, werden online en op opiniepagina’s over de hekel gehaald. Zo oogstte de gelauwerde auteur Leïla Slimani hoon nadat ze in Le Monde had beschreven dat ze zich „een beetje als de Schone Slaapster” voelde. Haar collega Marie Darrieussecq wekte weinig sympathie door in Le Point te vertellen hoe ze haar auto met Parijse nummerborden in de garage had verstopt om geen argwaan van de buren te wekken.

Zondebok

Sinds half maart hele werelddelen en landen zich afsloten voor niet-ingezetenen, zijn allerlei ‘zachte’ grenzen plots weer hard geworden. In Europa kwam het vrije verkeer van personen tussen landen – een van de pijlers onder de Unie – goeddeels tot stilstand. In Iran wierpen noordelijke provincies controleposten op tegen de vluchtende rijken uit Teheran. In de VS ging de gouverneur van Rhode Island, niet ver van brandhaard New York, eind maart over tot wegcontroles aan haar deelstaatgrens. Automobilisten op weg naar hun strandhuisje werden niet geweerd, maar moesten wel gegevens achterlaten en beloven om twee weken in zelfquarantaine gaan. De Nationale Garde, dreigde ze, zal van deur tot deur gaan om hierop toe te zien.

Hoewel rijken in hun tweede huisjes een aantrekkelijke zondebok vormen voor de opgesloten, gefrustreerde thuisblijver, is dat beeld te een-dimensionaal. Zo registreren ook plaatsjes op het niet erg mondaine platteland van de Spaanse regio La Mancha begin deze maand een sterke toename van buitenstaanders. Gemeenten zien dat het waterverbruik toeneemt en dat ze meer afval ophalen. Het regiobestuur meldt dat meer noodziekenfondspasjes zijn aangevraagd (zorg is in Spanje regionaal geregeld). Dit alles wijst erop dat Madrilenen de wegcontroles omzeilen om terug te keren naar hun pueblos.

‘Maak geen zomerplannen’

In Spanje en Italië, de twee veruit het zwaarst getroffen landen van het continent, staat het dorp voor thuis. Geboren Milanezen of Barcelonezen kunnen zeggen dat ze ‘emigranten’ zijn, omdat hun ouders of grootouders decennia geleden de armoede van Calabrië of Extremadura ontvluchtten. Niet voor niets betekent il paese (het dorp) in het Italiaans óók ‘het land’ (dan gespeld met een hoofdletter P). In het Spaans betekent el pueblo tevens ‘het volk’. Nog veelzeggender is de term ‘patria chica’ om je thuisdorp te omschrijven. In dat ‘kleine vaderland’ is alles beter: feesten, lokale ingrediënten, de mensen.

Lees ook: Deze weken wordt duidelijk hoezeer het Italiaanse bestel rammelt en kraakt

Europees commissievoorzitter Ursula von der Leyen riep EU-burgers via Bild am Sonntag al op nog geen plannen te maken voor de zomervakantie. „Niemand kan op dit moment betrouwbare voorspellingen doen voor juli en augustus.” Kunnen we die maanden alweer verkoeling zoeken op het strand? Alleen aan onze eigen kusten? Of alleen op bepaalde dagen, gerantsoeneerd naar het laatste cijfer van nummerbord of postcode? Duidelijk lijkt dat veel Europeanen deze zomer zullen doorbrengen in een kleiner vaderland.

Spaanse en Italiaanse media beschreven de afgelopen weken al hoe de toerismesector zich opmaakt voor „een terugkeer naar de jaren 50”. Zelfs al worden de beperkingen op rondreizen de komende weken of maanden versoepeld, veel buitenlands bezoek wordt er niet verwacht – als dat al welkom is. Pretparken, dorpsfeesten, zwembaden en festivals: als zulk vertier in de zomer alweer bestaat, zal het veel kleinschaliger moeten zijn. Touroperators in de provincie Torino voorzagen in Il Corriere dela Sera dat Italianen „hun eigen land gaan herontdekken, wandelen door valleien, bergen beklimmen. De Turijnen zullen toeristen in eigen huis zijn.”

Vluchten naar familie

De Spaanse toerisme-historicus Rubén José Pérez Redondo voorspelde in webkrant El Confidencial „dat onze stranden dit jaar waarschijnlijk niet vol zullen liggen met toeristen uit andere landen”. En Spanjaarden zelf zullen veel minder naar het buitenland reizen. Het is de vraag wat zij in de lange vakantie (die duurt van half juni tot begin september) wel gaan doen.

Voordat het Franco-regime het land begin jaren 50 opende voor massatoerisme, lagen Spanjaarden amper op het strand, legt Redondo uit. Dus als het in de zomer niet veilig is massaal naar de kust te trekken, doemt een vakantie- of familiehuis in het aloude dorp op als enig alternatief. „Onze grootste wens zal zijn om naar buiten te gaan, om te vluchten, maar dan nu voor de lockdown: op bezoek gaan bij onze meest nabije geliefden.”