Reportage

Vooral de sloppenwijkbewoners plukken nu Spaanse aardbeien

Spanje De meeste Marokkaanse seizoenarbeiders die in Spanje aardbeien plukken, kunnen dit jaar door de dichte grenzen niet komen. Fruittelers doen een groter beroep op Afrikanen uit Mali, Guinee, Senegal, die vaak in krotten wonen, zonder water en licht. „Zo slecht als hier is het zelfs niet in Senegal.”

Marokkaanse fruitplukster op de aardbeienvelden van Lepe. Elfduizend andere gecontracteerde pluksters kunnen door de coronacrisis Spanje niet in.
Marokkaanse fruitplukster op de aardbeienvelden van Lepe. Elfduizend andere gecontracteerde pluksters kunnen door de coronacrisis Spanje niet in. Foto Javier Fergo

Kadir staat met gebogen rug middenin de met wit plastic overdekte aardbeienvelden van Lepe. In een vast ritme vult hij zijn karretje met de dikke rode vruchten. In zijn kielzog volgen, met doeken om hun gezicht, twee vrouwen uit Kénitra, Marokko – op gepaste afstand.

Hier in het hart van de Andalusische provincie Huelva ligt de fruittuin van Europa. Werk is er dit voorjaar te over. Sterker: een deel van de oogst is bij gebrek aan personeel dit jaar gedoemd te verrotten. „Ik was vorige maand net op tijd”, legt Kadir al plukkend uit. „Daarna gingen de grenzen door het coronavirus dicht. Ik heb geluk gehad.”

Kadir, een sjaal om zijn nek, is een van de zevenduizend Marokkaanse arbeiders die de oversteek maakten van Noord-Afrika naar Zuid-Europa voor seizoenswerk in het vroege voorjaar. Elfduizend vrouwen, die eveneens eind vorig jaar door Spaanse bedrijven waren geselecteerd voor een contract van drie maanden, werden op 20 maart verrast toen de Marokkaanse regering wegens de uitbraak van Covid-19 de noodtoestand uitriep en de grenzen hermetisch sloot, pal voor hun geplande vertrek. Met lege handen bleven ze achter in Marokko, terwijl ze eerst nog de zekerheid leken te hebben van een baan met inkomsten van een paar duizend euro, plus een onderkomen. Ook de Spaanse fruittelers staan met lege handen. Zij hebben opeens een tekort aan arbeidskrachten. Het ontbreekt ze aan tienduizenden handen om de frambozen, bosbessen en aardbeien van het land te halen.

Lees ook een reportage uit India, over seizoensarbeid daar: In India rot het voedsel nu weg

De eigenaar van Agricola Lena – hij wil zijn naam niet in de krant na „slechte ervaringen” met Spaanse media – heft met een cynisch lachje zijn blote handen ten hemel op de vraag hoe groot zijn problemen zijn. Het gaat niet zozeer om het virus zelf, dat in de provincie Huelva in vergelijking met andere delen van Spanje, waar al meer dan 19.000 doden vielen, nog maar beperkt om zich heen grijpt. Het gaat in Lepe vooral om de indirecte gevolgen van het virus. „Die zijn eigenlijk nog amper te overzien”, zegt de eigenaar hoofdschuddend bij het kantoor van het familiebedrijf.

De teler staat in een rood shirt en een spijkerbroek – zonder mondkapje of handschoenen – middenin een zee van plastic velden. „Alles is anders dan vorig jaar. Het is dramatisch. Er is een groot overschot aan aardbeien én er is, ondanks de gekrompen vraag, een groot gebrek aan personeel. De arbeiders die wel zouden kunnen komen, ontbreekt het aan transport. Normaal gesproken mogen er vijf mensen in een auto. Nu maximaal twee. Ik vrees dat onze oogst dit jaar verliesgevend is.”

De fruitbedrijven in plaatsjes als Lepe, Cartaya en La Redondela hebben gedurende het jaar slechts enkele tientallen vaste werknemers in dienst. Alleen in het voorjaar zijn er 100.000 tot 150.000 arbeiders nodig bij het hele proces van pluk tot distributie over Europa. Van elke honderd aardbeien in Nederland, Duitsland of België komen er 94 uit Huelva.

Topseizoen

De eerste twee weken van het jaar leken nog een topseizoen in te luiden voor de aardbeien, ze brachten per kilo bijna 3 euro op. Nu ligt de toestroom van Marokkaanse werkkrachten stil, en kunnen Oost-Europeanen de lange tocht naar Spanje niet meer maken. Spanjaarden halen hun neus op voor werk op het land.

Hutjes in Lepe van Afrikaanse migranten.Foto Javier Fergo

Maar de Afrikanen van bezuiden de Sahara zijn er nog. In Lepe zijn Spaanse fruittelers en de duizenden migranten uit Afrikaanse landen als Mali, Benin, Guinee en Senegal meer dan ooit op elkaar aangewezen.

De Malinees Amadou Doumbia (29) weet als geen ander dat de sub-Saharanen in Huelva noodgedwongen in de marge van de samenleving leven. Meer dan duizend Afrikanen – voor het overgrote deel mannen – wonen in krotten van hout, plastic en karton, waar het aan basisvoorzieningen als water en licht ontbreekt. Velen van hen verblijven illegaal in Spanje.

De speciale VN-rapporteur voor extreme armoede en mensenrechten, Philip Alston, was begin dit jaar na een bezoek aan het plaatsje zo geschokt – „mensen leven hier als beesten” – dat hij de burgemeester opriep tot actie. Op gezag van de autoriteiten werden talloze hutjes platgewalst, maar binnen een paar maanden verscheen er een nieuw kampement op een andere plek. „Zo gaat dat hier al jaren”, zegt Doumbia, die op zijn zeventiende als vluchteling met een bootje van Mauritanië naar Tenerife voer.

De Spaanse eigenaar van Agricola Lena zegt: „Iedereen die bij ons komt werken, zien we als onze familie. We betalen ze wat hun toekomt. Voor de Marokkaanse arbeiders hebben we, zoals geregeld in overeenkomsten met Marokko, een onderkomen gebouwd. Het is niet eerlijk dat wij er als eigenaren in de media de schuld van krijgen dat vele Afrikanen in Lepe in krotten wonen. Ze willen liever helemaal geen huur betalen of zitten met twintig man in een woning.”

Goudkleurig horloge

De Malinees Doumbia, die twaalf jaar in Lepe woont, heeft zich als een van de weinigen weten op te werken van seizoenarbeider op het land tot vrachtwagenchauffeur. Hij brengt het fruit naar de markt in Sevilla. Van daaruit gaan de frambozen, bramen en aardbeien Europa door, ook tijdens de coronacrisis. Hem hoor je niet klagen over zijn situatie. „Ik denk wel dat dit de beste aardbeien ter wereld zijn”, zegt hij lachend. Hij combineert een net shirt en wijde spijkerbroek met grote plastic kaplaarzen. Van achter zijn zonnebril werpt hij een blik op zijn goudkleurige horloge, doet een mondkapje voor en vraagt om hem te volgen naar de nieuwe krottenwijk.

Lees ook: Zijn mensen anders gaan eten door de coronacrisis? Acht vragen over een dreigende voedselcrisis

Doumbia zet zich als voorzitter van de vereniging van Afrikaanse arbeiders in Huelva in voor het lot van andere Afrikaanse migranten. De Malinees stopt aan het einde van een industrieterrein bij een grote tankwagen. Van verschillende kanten komen sub-Saharanen aangelopen met lege plastic jerrycans, die gevuld worden met water uit een grote slang. Normaal gesproken gebeurt dat drie keer in de week, maar tijdens de coronacrisis wordt er iedere dag schoon drinkwater gebracht.

„We zijn al tijden bezig om één vast tappunt te krijgen, maar daar wil de gemeente niet aan”, zegt Doumbia.

Uit alles blijkt dat de Spaanse overheid het liefst ziet dat de samenwerking tussen de fruittelers en seizoenarbeiders tijdelijk blijft, al leven de duizenden Afrikaanse migranten – al dan niet met werk- en verblijfsvergunning – al twintig jaar als een soort kolonie met steeds wisselende samenstelling in dit dorpje. In de jaren tachtig had Lepe 13.000 hoofdzakelijk Spaanse inwoners. Inmiddels is het een stadje van bijna 30.000 mensen met meer dan zestig nationaliteiten, waar het net als in alle andere Spaanse dorpen op straat grotendeels uitgestorven is. Op de Afrikanen na. Fruitplukkers behoren tot de ‘essentiële beroepen’ en mogen daarom over straat naar hun werk lopen.

Aardbeienoogst in het Spaanse Lepe, Andalusië.
Foto Javier Fergo
Afrikaanse seizoensarbeiders vullen hun watertanks.
Foto Javier Fergo
Foto Javier Fergo
Foto’s Javier Fergo

„Voor veel migranten is dit de eerste plek in Europa waar ze kunnen werken”, legt Doumbia uit. „Ze nemen de omstandigheden voor lief. Maar die zijn natuurlijk heel slecht.”

De Malinees helpt zoveel mogelijk migranten. Een weg terug is er niet voor de meesten , maar een bestaan opbouwen is in Zuid-Spanje steeds moeilijker. De Spaanse overheid verstrekt nauwelijks verblijfsvergunningen. En huiseigenaren verhuren hun woningen zelden aan Afrikaanse arbeiders uit angst dat grote groepen bij elkaar intrekken. Zo worden ze bijna gedwongen in krotten te leven.

Als Babakar Jijou uit Senegal de kans kreeg, zou hij meteen aan de slag gaan voor de 41 euro die de plukkers in Lepe per dag verdienen. Twee jaar geleden maakte de 31-jarige Afrikaan de oversteek naar Europa. Eerst met een auto vier dagen over land naar Marokko en daarna in een bootje met 68 anderen van Nador naar Málaga. Ze werden op zee gered door de kustwacht.

Na een zwerftocht van anderhalf jaar is hij nu in Lepe. Hij loopt in een groene jas en een besmeurde broek met een boodschappenkarretje vol lege flessen over een zandpad naar een krot van hout, plastic en karton dat hij deelt met drie anderen. Als Jijou de geïmproviseerde deur opendoet, schiet een jongen weg onder wat dekens. „Dit is niet het Europa dat ik voor ogen had”, verzucht de pezige Afrikaan in redelijk goed Spaans. „Zo slecht als hier is het zelfs niet in Senegal. Mijn familie zegt dat ik beter naar huis kan komen. Maar ik ben een man, en ik ben gekomen om te werken. Om eerlijk mijn geld te verdienen. Ik zou het prima vinden om aardbeien te plukken. Maar ik wacht al tijden op mijn verblijfsvergunning.”

‘Corona? In Gods hand’

Jijou en zijn lotgenoten zonder papieren maken zich in het kampement nog het minst druk om de corona-crisis. In Huelva is het aantal bevestigde besmettingen circa vierhonderd – in heel Spanje ligt dat boven de 180.000. Jijou loopt zonder handschoenen en mondkapje buiten zonder ‘geldige reden’. Goed voor een boete van 100 tot 660 euro.

De Spaanse noodsituatie gaat vrijwel volledig aan de krottenwijken voorbij. Hier gelden andere wetten. Zo hebben de migranten in de kampementen onderling drank en drugs uitdrukkelijk verboden. „Corona? Ach, dat ligt in Gods hand”, zegt Jijou. „Wij omhelzen elkaar hier gewoon en drinken als broeders uit dezelfde bekers. We hebben wel andere dingen aan ons hoofd.”