Remi in de Joodse crèche

Oorlogsbaby ‘Remi’ was ieders lieveling in de Joodse crèche. Dat werd zijn noodlot

Voorpublicatie In oktober 1942 vindt de Bloemendaalse familie Van de Bunt een baby op hun stoep. Ze noemen hem Remi. Op last van de Sicherheitspolizei belandt Remi in de Joodse crèche, van waaruit zeshonderd kinderen zullen worden gered – maar Remi niet.

Nadat de 38-jarige verkoper Maurits Gezang eerst zijn vrouw heeft helpen onderduiken, zoekt hij daarna een veilig adres voor hun zoon Koentje, acht maanden oud. Hij komt in contact met Leo van Dis, leraar Nederlands aan de Tweede HBS in Haarlem. Van Dis woont met zijn gezin aan de Ramplaan 82 in Overveen. De familie Van Dis is actief lid van de Nederlandse Hervormde Kerk, en als de Jodenvervolging na de Duitse inval ook in Nederland begint en de Joden een grote J in hun persoonsbewijs krijgen, raakt Van Dis betrokken bij een verzetsnetwerk binnen zijn kerk; dat helpt Joden met onderduiken door hen van een vals persoonsbewijs, distributiepapieren en kostgeld te voorzien. Korte tijd heeft de familie Van Dis zelf Joodse onderduikers in huis, ze stoppen daarmee als de kans op huiszoeking te groot wordt.

Begin oktober 1942 laat Maurits Koentje achter bij Van Dis, die belooft hem onder te brengen in een pleeggezin. Dat zal gebeuren volgens een beproefde methode van het verzet om Joodse baby’s te redden: een baby wordt op de stoep gelegd van een betrouwbaar gezin (gewoonlijk in overleg), dat daarna de politie waarschuwt en de baby inschrijft bij de Burgerlijke Stand. Daarna ontfermt het gezin zich over het kind en adopteert het, of het gaat naar een weeshuis. Op deze manier staat het kind niet meer als Joods te boek en kan het de oorlog overleven.

Lees ook de voorpublicatie uit ‘Oorlogskinderen’ van Coen Verbraak

Iets wittigs op de stoep

Op vrijdagavond 16 oktober 1942 om 20.45 uur wordt Koentje op de stoep gelegd bij de familie Van de Bunt aan de Duinwijckweg 1 in Bloemendaal. Deze familie is lid van dezelfde kerk als Van Dis. Henk van de Bunt geeft de vondst meteen telefonisch door aan brigadier Bikker van de politie Bloemendaal (gevestigd in Overveen) en de recherche begint een onderzoek.

Dat leidt op 20 oktober 1942 tot een bericht met de kop ‘Een vondeling in Bloemendaal’ in de Haarlemsche Courant. Diverse landelijke kranten nemen het de volgende dag over.


Henks vrouw Jo doet op 21 oktober 1942 in een brief aan haar stiefmoeder Greet gedetailleerd verslag van de ophef die de vondst van de vondeling veroorzaakt:

Lieve Greet,

(…) Nu zal ik je eens op de hoogte brengen van al ons wedervaren sinds je 5 Oct wegging! Die dag werd Mary [hun driejarige dochter, red.] ziek, zij heeft het erg te pakken gehad (…) maag- en darmcatarrhe (…) j.l. vrijdag 16 okt had ik helemaal geen hulp gehad en liep ik ’s avonds kwart voor negen nog even naar de keuken om Henks pap voor het ontbijt van de volgende morgen uit te doen, toen ik gestommel bij de voordeur hoorde. Ik erop af, deed open, maar zag niets; tot ik links op de stoep iets wittigs ontwaarde en eerst dacht dat Beertje van De Heer [het witte hondje van de overburen, red.] er lag; maar het was een vondeling! Een lief zoet jongetje van ca. 8 maanden!

Ik stopte hem in Mary’s bed, en Mary in dat van Henk; hij deed zijn duim in zijn mondje en ging zoet slapen! Er stond een flesje melk bij, op de stoep en dat gaf ik hem om 11 uur, toen heeft hij me helemaal ondergespuugd! Och wat een consternatie in huis de volgende dag! Eindeloos gebel, politie, distributie, enz, enz. Mevr De Heer sleepte een ledikantje aan, mevr Went een matrasje, Mevrouw Salm bracht stapels babykleren, toch erg aardig; en ik had toen alleen maar hulp van 9 tot 1. Mijn hoofd liep om!

Alweer gebel van kennissen, die me per slot iemand bezorgden, die nu elke dag van 10 tot 5 komt, afwast, luiers wast en Ak (haar negenjarige zoon, red.] gezelschap houdt en sokken stopt (…)

We hebben de vondeling Remi gedoopt, omdat Ak juist aan dat boek [Alleen op de wereld, red.] bezig was. En zijn achternaam zal zijn: ‘Van Duinwijck’.

Veel liefs, Jo

Op 26 oktober 1942, vijf dagen na de vondst van Remi, doet Henk van de Bunt aangifte bij de Burgerlijke Stand van de gemeente Bloemendaal.

De krantenberichten van 20 en 21 oktober hebben intussen ook de Sicherheitspolizei in Amsterdam bereikt, die vragen begint te stellen aan de Bloemendaalse politie. Dat leidt tot ontwikkelingen die Jo van de Bunt beschrijft in een tweede brief aan haar stiefmoeder, gedateerd 6 november 1942.

Lieve Greet,

Veel dank voor je brief! Sinds mijn laatste is er alweer zoveel gebeurd, het lijkt hier net een film. Met Remi ging alles zo best; toen hij een week hier was, kreeg ik een juffrouw, een prettig flink meisje, waar ik veel hulp aan heb (…).

Donderdag 29 oktober weer een bel. Politie. Ik moest (oproep der Sicherheits Polizei) vrijdag met Remi komen in de Amsterdamse Euterpestraat, ter confrontatie met mogelijke ouders. Nieuwe schrik. Henk moest weer kabelen [door de nazi’s opgelegde bewaking van kabels, om sabotage door het verzet te voorkomen, red.] en kon dus niet mee, maar kreeg er toch verlof voor.

Vrijdagmorgen 9 uur togen we met Remi naar Amsterdam. Gelukkig kon Juffie passen op het kroost. Remi was erg lief en zoet in de trein en ook daar op het bureau. Henk bleef in de gang, daar het ons beter leek, dat ik als vrouw alleen naar binnen ging. Ik heb er wel een uur gezeten, telkens kwamen er officieren, die zeiden: ‘Dat is een Joods kind – dat mag u niet houden.’ Steeds antwoordde ik: ‘Hij is niet besneden, dus niemand weet of het een Joods kindje is.’ Maar daar gaven ze niets om, en zonder enig bewijs werd ’t arme kind van me afgenomen om naar het Joodse concentratiekamp te worden gevoerd [Westerbork, red.]. Een weerloos kindje van 8 maanden. Ik was zo kapot, ik dacht er niet eens aan, Henk te waarschuwen.

Nog een poos hielden ze me daar, toen kon ik gaan. Met Henk hebben we toen dadelijk alle mogelijke moeite gedaan, om het ongedaan te maken. Henk had nog introducties voor de Joodse Raad, maar het hielp niets. Ik belde nog de kinderrechter op, en de politie in Bloemendaal, maar niemand kon er iets tegen doen. Remi ging zo zoet mee, hij gaf geen kik. Later heb ik hem nog even teruggezien in de Joodse Schouwburg, waar het transport zich moest verzamelen. Toen was hij ook zoet. Maar we werden meteen weggestuurd door een soldaat.

Is het niet vreselijk. Wil je wel geloven, dat ’t ons was of we een eigen kind moesten afstaan? Hij had al Lisa’s kleertjes aan. Thuis was er ook groot verdriet. Mary hield zó-veel van hem. Maar ‘de lieve Heer zal hem wel terugbrengen’, zei ze steeds. Zondag hadden we 13 bezoekers, alles om Remi, die nu weer weg was.

Veel liefs, Jo

Jo van de Bunt beschrijft in haar laatste brief dat het hun niet is gelukt om Remi te behoeden voor transport vanuit de Hollandsche Schouwburg naar kamp Westerbork. Zij weet op dat moment niet dat hij niet op transport is gegaan. Later hoort de familie dat Koentje is overgebracht naar de Joodse crèche tegenover de schouwburg.

Als Koentje op 30 oktober 1942 onder de naam Remi in de crèche komt, zijn de nazi’s er zelf nog niet zeker van dat het jongetje werkelijk Joods is. Alle politiebureaus hebben inmiddels bericht gekregen dat ze vondelingen moeten melden bij Bureau Joodse Zaken van de politie – dat zich namens de Sicherheitspolizei bezighoudt met het opsporen en deporteren van (ondergedoken) Joden – zodat ‘een daarvoor aangewezen medicus’ een ‘onderzoek naar het ras’ kan instellen. Deze medicus is NSB’er en wethouder Openbare Gezondheid Johan Strak.

Op 31 december 1942 krijgt Strak het verzoek van politiecommissaris Rudolf Dahmen von Buchholz van het Bureau Joodse Zaken om Remi van Duinwijck lichamelijk te onderzoeken. Strak gaat daartoe in de eerste week van 1943 naar de crèche. Op 8 januari 1943 schrijft hij Dahmen von Buchholz ‘dat de vondeling (…) niet besneden is, doch duidelijk Joodse kenmerken bezit. Zodat het kind gerekend kan worden tot het Joodse ras te behoren.’

Remi met de olifant en de beer die hij van de Duitse bewaker heeft gekregen.
Foto Joods Historisch Museum
De Joodse crèche aan de Plantage Middenlaan, Amsterdam, in de oorlog. Remi zou er zes maanden blijven.
Duinwijckweg 1, Bloemendaal
Foto Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed
Remi in de Joodse crèche in Amsterdam en het huis op de Duinwijckweg 1 in Bloemendaal.

Een hobbelpaard en een beer

In januari 1943 begint het verzet met hulp van Hollandsche Schouwburg-beheerder Walter Süskind, crèchedirectrice Henriëtte Pimentel en verzorgsters met het redden van kinderen die voor één of twee dagen zijn ondergebracht in de Joodse crèche, terwijl hun ouders aan de overkant in de Schouwburg wachten op transport naar Westerbork. Ze kunnen dit doen omdat de nazi’s het toezicht op de crèche overlaten aan de bewaker voor de deur van de Schouwburg, die niet voortdurend naar de overkant tuurt en wiens zicht op de crèche soms ook wordt belemmerd door een tram die stilstaat op de halte pal voor de deur.

Pimentel betrekt in april 1943 ook directeur Johan van Hulst van de Hervormde Kweekschool op Plantage Middenlaan 27 (twee panden verderop) bij het steeds verfijndere wegsmokkelsysteem. Zonder dat de nazi’s iets merken, weet het verzet uiteindelijk zeshonderd kinderen uit de crèche in veiligheid te brengen op onderduikadressen in heel het land.

Lees ook de necrologie van crècheleidster Sieny Cohen-Kattenburg

Voor Remi biedt dit systeem geen soelaas, want hij is het lievelingetje van de crèche. Niet alleen de Joodse medewerk(st)ers zijn dol op hem, maar ook een van de Duitse bewakers, Rudolf Wolf, die hem ook speelgoed geeft, zoals een hobbelpaard en een beer. Deze Wolf is een jaar of twintig en heeft overigens geen gunstige reputatie door zijn onberekenbaarheid. Ook andere Duitse bewakers die af en toe binnenlopen in de crèche kennen Remi te goed. Zijn plotselinge verdwijning zou de hele reddingsoperatie van Joodse kinderen in gevaar kunnen brengen. Remi is gedoemd om in de crèche te blijven.

In mei 1943 wordt hij naar de gaskamers van Sobibor getransporteerd. Zijn oudere broer Eddy, die niet weet dat hij te vondeling is gelegd, zal tot 2002 naar hem zoeken.