Opinie

Met 300 miljoen is de culturele sector geholpen, niet gered

Steun voor cultuur

Commentaar

Ineens was het er woensdagavond. Met de bekendmaking van 300 miljoen euro extra voor cultuur presenteerde minister Ingrid van Engelshoven (OCW, D66) het steunplan waarop afgelopen week in vele brandbrieven steeds dringender werd aangedrongen door onder andere de Raad voor Cultuur, 36 culturele beroepsverenigingen en veertien grote instellingen (Nationale Opera & Ballet, Rijksmuseum en Nationale Theater etc.). Elke week dat de theaters en zalen en musea dicht zijn, loopt de sector zo’n 88 miljoen euro aan inkomsten mis, tot 1 juni is het verlies geraamd op 969 miljoen. De roep om een „robuust” overbruggingsfonds was opvallend eensluidend en de woede over de niet eerder loskomende steun groot, onder makers en liefhebbers.

Van de driehonderdduizend mensen die in de cultuursector werken, kampt een groot deel nu al met ernstige financiële zorgen. De toegezegde drie maanden bijstand (Tozo, de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers) zijn voor velen geruststellend, maar welk scenario ontvouwt zich daarna?

Van 142 Nederlandse theaters en concertgebouwen zijn er op dit moment, een maand na sluiting, al bijna vijftig in acute financiële nood, berekende de Vereniging van Schouwburg- en Concertgebouwdirecties. Nog twaalf weken kunnen deze zalen het uitzingen. Grotere zalen, het Amsterdamse Concertgebouw of de Rotterdamse Doelen, kunnen het iets langer rekken. Maar dat na de kleintjes de groten vallen is net zo evident als het inzicht dat de anderhalvemetersamenleving de kunsten hard en lang zal treffen.

Politiek is het draagvlak voor kunst in koopmansland Nederland traditioneel klein. Het besef dat de cultuursector goed is voor een kleine vier procent van het bbp en daarmee een volwaardig onderdeel van de hele economie wordt te vaak gesmoord in vooroordelen over elitarisme en subsidie-afhankelijkheid. Door eerdere, grootscheepse bezuinigingen en een herhaald beroep op zelfredzaamheid hebben de meeste culturele instellingen hun reserves goeddeels verteerd. Maar waar KLM geldt als een nationaal boegbeeld waarvoor steun snel werd toegezegd, moet op het cruciale belang van het kunstleven voor (internationaal) toerisme, het vestigingsklimaat van de grote steden en de economie steeds opnieuw door de sector zelf worden gehamerd.

Dat minister Van Engelshoven haar steunpakket woensdag daags na een dringend appel uit het veld kon toezeggen, lijkt dan ook tekenend. Het pakket vertoont sporen van haastwerk.

Hoe het geld wordt verdeeld, wat de exacte voorwaarden zijn – het moet allemaal nog worden ingevuld. Onrust veroorzaakt ook de gebezigde terminologie. Doel is „cruciale culturele instellingen” te steunen die „essentieel zijn voor de sector als geheel”, aldus de minister. Maar wat betekenen cruciaal en essentieel in de kunsten, en wie bepaalt de invulling daarvan?

Een keuze voor grote gesubsidieerde instellingen heeft gevolgen voor de niet-gesubsidieerde instellingen – en daarvan wordt de veerkracht net zo goed op de proef gesteld. Als Nederland in navolging van België en Duitsland de (pop)festivalzomer tot eind augustus afgelast, kost alleen dat al twee miljard euro.

Zonder verregaandere maatregelen, ook door de gemeentelijke overheden, dreigt de piramide van kwaliteit die de Nederlandse kunstsector borgt alsnog aan de basis te worden aangetast. Daarvan zullen de gevolgen zeker verder reiken dan de anderhalvemetersamenleving lang is.