Reportage

Kind in de knel? De jeugdbeschermer helpt, op afstand

Jeugdbescherming Pieter Bakker helpt kinderen veilig op te groeien – nu via videobellen. Desnoods seint hij de wijkagent in. „Omdat je lang meeloopt, weet je waar de risico’s zitten.”

Pieter Bakker (45) begeleidt zeven gezinnen met in totaal elf jongeren, de meesten ouder dan 12 jaar. Drie van hen zitten in de reclassering. Daarnaast leidt hij collega’s op.
Pieter Bakker (45) begeleidt zeven gezinnen met in totaal elf jongeren, de meesten ouder dan 12 jaar. Drie van hen zitten in de reclassering. Daarnaast leidt hij collega’s op. Foto David van Dam

Toen de wereld nog niet in de ban was van een gevaarlijk virus, was Pieter Bakker veel van huis. Hij reed kriskras door het Westland, rond Rijswijk en Delft, de regio met ‘zijn’ gezinnen. Op kantoor in Den Haag was hij vaak een van de eersten. Nog steeds begint hij zijn werkdag het liefst vroeg. Vier dagen per week klapt hij rond half acht ’s ochtends met een kop koffie aan de keukentafel zijn laptop open.

Pieter Bakker (45) is jeugdbeschermer. Hij begeleidt zeven gezinnen met in totaal elf jongeren, de meesten ouder dan 12 jaar. Drie van hen zitten in de reclassering. Ze hebben een strafbaar feit gepleegd en moeten zich nu aan afspraken houden om te voorkomen dat ze opnieuw de fout in gaan. De anderen zijn door een kinderrechter onder toezicht gesteld omdat het de ouders zelf niet lukt hun kinderen veilig te laten opgroeien. Zij moeten samen met Bakker en andere hulpverleners werken aan een verbeterplan.

Door de coronacrisis is het moeilijker te zien wat zich afspeelt achter voordeuren. Ook voor Jeugdbescherming west, een organisatie met zo’n driehonderd jeugdbeschermers, actief in een groot deel van Zuid-Holland. Net als voor de coronacrisis is onder deze omstandigheden hun missie ‘ieder kind blijvend veilig’. Jeugdbescherming west liet NRC een paar dagen meekijken. Op afstand, en op voorwaarde dat geen enkel kind zichzelf in dit artikel zou herkennen.

Lees ook: Coronacrisis maakt slachtoffers van huiselijk geweld onzichtbaar

Honderd e-mails

Als Pieter Bakker op de dinsdagochtend na het paasweekend zijn computer aanzet, heeft hij honderd nieuwe e-mails. Mails van collega’s die iets willen bespreken, van ouders met praktische vragen (hoe vraag ik kinderbijslag aan?), van hulpverleningsinstanties waar hij mee samenwerkt.

Alarmerende mails zitten er niet tussen. In de zeven gezinnen die hij begeleidt, lijkt het dit paasweekend rustig te zijn gebleven. Hij tikt een paar whatsappberichtjes:

- Hey kerel was even benieuwd hoe het met je gaat, lukt het een beetje om de quarantaine vol te houden? - Kan ik je vanmiddag rond vijf uur even bellen?

Te veel aandringen werkt averechts bij jongeren, weet Bakker. Voor ze reageren, gaat er zo een dag overheen. „Niets om je druk over te maken. Je weet natuurlijk ook niet waar ze mee bezig zijn.”

Pas als hij twee, drie dagen geen contact heeft weten te krijgen, ook niet via de ouders of school, dan gaat hij een stap verder. „Nu ik zelf niet langs kan gaan, bel ik de wijkagent: kun je gaan kijken? Fiets er eens langs, bel eens aan.”

Bij videobellen zijn er dingen die je niet meekrijgt, of het hele huis naar wiet ruikt bijvoorbeeld

Normaal gesproken gaat hij bijna iedere dag wel op huisbezoek. Vaak krijgt hij zo een aardige indruk van de situatie: is het opgeruimd, hoe zit iedereen erbij? Sinds corona is hij meer gaan videobellen. Dan zijn er dingen die je niet meekrijgt, of het hele huis naar wiet ruikt bijvoorbeeld. Maar tijdens het videobellen ontstaat wel een losser contact dan wanneer je tegenover elkaar aan tafel zit. „Dan zie ik een muziekinstrument in de hoek staan en zeg ik: hé, wat als je daar eens op gaat spelen?” Zijn werk kan hij nog steeds goed doen. Een kwestie van goed kijken wat er op de achtergrond gebeurt, en luisteren op de vierkante millimeter.

-„Hé, hoe is het?”

-„Eh…. Ja hoor, gaat goed.”

- „O ja, gaat het echt goed? Volgens mij hoor ik iets anders. Kan dat kloppen?”

‘Echt’ contact – fysiek langsgaan – is niet helemaal verleden tijd, vertelt Bakker. Soms is het noodzakelijk langs te gaan, bijvoorbeeld in een crisissituatie. Het Nederlands Jeugdinstituut adviseert jeugdzorgwerkers te kijken wat er kan, „binnen de mogelijkheden”. Een collega van Bakker bedacht al een oplossing voor een moeder die haar uit huis geplaatste kind wilde blijven zien. „Ze spreken nu af in de speeltuin, in het bijzijn van de collega.”

Natuurlijk is er altijd een kans dat je signalen mist als je vooral communiceert via een schermpje. Maar wat je niet moet vergeten, zegt Bakker, is dat jeugdbeschermers ook een „zesde zintuig” ontwikkelen voor hun gezinnen. „Doordat je langere tijd meeloopt, maanden of soms jaren, weet je precies waar de risico’s zitten en waar je extra op moet letten.”

Neem het tienermeisje met de taakstraf dat nogal eens met haar ouders overhooplag. Dat haar moeder zich tijdens het bellen af en toe in het gesprek mengt, is in dit geval positief. „Als ze ruzie zouden hebben, zouden ze nooit naast elkaar zitten. Dan was dit meisje allang weggelopen.”

Zelfs ouders die in de opvoeding ernstig tekortschieten, hebben diep vanbinnen wel iets dat ze hun kind gunnen, gelooft Bakker. Het is die „nobele intentie” waar hij als jeugdbeschermer al snel naar op zoek gaat, omdat het helpt bij het doorbreken van een negatief patroon. Een simpel voorbeeld: „Stel, je hebt een dochter die heel graag tot laat de deur uit wil. Als ouder wil je haar beschermen, dus je verbiedt het. Zij ervaart dat als beklemmend, doet het stiekem toch en zet ook haar telefoon uit. Het resultaat is dat de ouders denken: we moeten haar harder aanpakken, nóg strengere regels opstellen. Wat zij dan weer niet zal pikken. Het is een cirkel waarin je verstrikt raakt.”

In een maand of drie probeert hij met de jongere en het gezin helder te krijgen wat er speelt. Wat het probleem is, maar ook wat eraan ten grondslag ligt. Hebben de schulden die ze hebben te maken met een verkeerd uitgavenpatroon, een verslaving, psychische problemen? En wat ga je eraan doen? Dan pas is het tijd voor de volgende stap: het inzetten van hulp. Je moet zorgen dat de gezinsleden zelfinzicht krijgen, zegt Bakker. Doe je dat niet, dan blijft het bij symptoombestrijding. „En dat levert draaideurcliënten op.”

Lees ook: Waarom jongeren als Delano zo in de knel komen

Olifantenhuid

Een jeugdbeschermer werkt zelfstandig maar niet alleen. Tijdens een wekelijks overleg bespreken vaste groepjes lopende zaken in het bijzijn van een teammanager en een gedragswetenschapper. Hoe gaat het met die ene jongere? Moet een ondertoezichtstelling verlengd worden of niet? Hoe kan ik deze situatie het beste aanpakken? Waar je als jeugdbeschermer mee te maken krijgt, valt niet altijd te voorspellen. „Als je kinderen uit huis plaatst – een ultiem middel – is dat heel ingrijpend voor een gezin. Het brengt veel emoties met zich mee, ook boosheid en agressie.”

Natuurlijk is er de kans dat je signalen mist, zegt Bakker. Hij luistert „op de vierkante millimeter.” Foto David van Dam

In de twintig jaar dat hij jeugdbeschermer is, heeft hij een „olifantenhuid” gekregen en een „hele gladde rug”, zegt Bakker. „Je moet in dit werk erg betrokken zijn, maar ook goed kunnen loslaten. Ik heb op dodenlijsten gestaan.”

Als Pieter Bakker en zijn collega’s deze donderdag stipt om 10.00 uur inloggen voor de teamvergadering, valt er heel wat te bespreken. De avond ervoor is er door de rechtbank in allerijl een voorlopige ondertoezichtstelling uitgesproken: een jongere lag met de ouders in de clinch over normen en waarden, is bang voor extreme straf en weggelopen van huis. De rechtbank heeft een ‘spoedmaatregel’ opgelegd en een beschikking afgegeven met een machtiging tot uithuisplaatsing. De jongere is voorlopig ondergebracht op een voor de ouders onbekende plek, omdat hij of zij gevaar loopt.

Het is de zesde spoedmaatregel in een week, zegt de teammanager. „Dat is echt bijzonder veel, normaal is het er één per maand.” Ze heeft de Raad voor de Kinderbescherming en de lokale hulpverleners gevraagd eerder aan de bel te trekken.

Gescheiden ouders

Zijn er meer kinderen die acuut in de problemen komen door de corona-crisis? Bij Jeugdbescherming west vermoeden ze van wel, al valt het aantal spoedgevallen in andere delen van Zuid-Holland waar de organisatie actief is nog mee. Het gaat om gezinnen die nog niet in beeld zijn. Het is nog maar de vraag, zegt Bakker, hoe het zal zijn als de maatregelen langer duren en de spanningen in gezinnen straks verder oplopen.

Mag het kind gezien het virus wel naar de andere ouder?

Bij gescheiden ouders zorgen de richtlijnen van het RIVM in elk geval voor dilemma’s. Mogen de kinderen wel naar de andere ouder? Hoe zorg je voor veilig contact? Soms wordt het coronavirus als excuus gebruikt om een omgangsregeling overboord te gooien. In dat soort gevallen, zegt Bakker, refereren jeugdbeschermers in principe aan de afspraken die er zijn. „Het lastige met scheidingen: het is vaak een kwestie van strijd. Zegt de een wit, dan zegt de ander automatisch zwart.”

Toch gebeurden er de afgelopen weken ook mooie dingen. Bakker vertelt over een kind van werkende ouders dat verwaarloosd werd omdat zij altijd druk bezig waren in hun eigen zaak. „Door de coronacrisis is dat in één klap stil komen te liggen, en is er ineens tijd om samen dingen te ondernemen, om te fietsen, spelletjes te spelen. Ze zien nu wat er gebeurt als je het kind op één zet.”