Foto Kees van de Veen

Interview

‘Ik begin nu heel langzaam te begrijpen waar het heen moet’

Wat maakt het leven de moeite waard? Jan van der Kooi (63), schilder en tekenaar, tekent elke dag. Om beter te worden, want hij is nooit tevreden. „Het is een voortdurende behoefte om de dingen visueel te doorgronden.”

Jan van der Kooi (63) is schilder en tekenaar. Allebei evenzeer en toch vooral dat laatste. Hij tekent elke dag. Hij tekent altijd. Hij moet tekenen. Ook tijdens de coronacrisis. Zijn vrouw werkt bij de GGD dus er komt heus wel het één en ander van de toestand binnen. Maar als hij aan het werk is, is hij van de wereld, zegt hij.

De Draiflessen Collection, het privémuseum van de familie Brenninkmeijer in het Duitse Mettingen (bij Osnabrück) stelde eind vorig jaar een tentoonstelling samen van tekeningen van Jan van der Kooi naast etsen van Rembrandt. Een waagstuk, zei museumdirecteur Corinna Otto zelf ook, want zoiets wordt gauw een tikje eigenaardig. Maar het kon: de horizonnen op gelijke hoogte en daar hingen naast elkaar, als kunstbroeders, Rembrandt en Van der Kooi. ‘De essentie van het landschap’ heette de tentoonstelling. Het was niet het ‘Wat stampen we hè?’ van de muis tegen de olifant. De een viel niet weg tegen de ander.

De museumdirectie was eerst eens bij Van der Kooi thuis in Friesland komen kijken. Daar kun je wel wat zien. Overal gluren dieren en vogels om hoekjes en deurranden – geschilderd uiteraard. In de kamer lijkt het of in het plafond een glazen koepel is gemaakt die de hemel doorlaat, stralend blauw en langs de randen van die koepel zie je olifanten, die ook nieuwsgierig zijn naar ons. Boven de schuifdeuren ligt een tijger. Een uil kijkt uit vanaf een deurpost.

Tijdens dat bezoek ontdekten de Draiflessen-mensen dat Van der Kooi behalve zijn vele losse tekeningen en schilderijen nogal wat schetsboeken had. 155 om precies te zijn, volgetekend vanaf de middelbare school. Nooit iets uit gehaald. Nooit? vroeg het museum ongelovig. Nee, zei Van der Kooi. Van dat unieke artistieke archief wilden ze er graag 135 tentoonstellen, en zo geschiedde.

En wat zien de mensen dan als ze naar die schetsboeken kijken? „Een calvinistische jongen uit Noord-Nederland die goed heeft doorgewerkt”, lacht hij. Om er dan ogenblikkelijk bij te zeggen dat hij het niet als werken ziet, dat tekenen. Vuilnisophalen, ja, dat is werken. Mensen in de zorg doen nuttig werk. Tekenen is een gave. Hij kan het nu eenmaal goed, geen koketterie, dat is gewoon een feit. Zoals iemand anders bruine ogen heeft.

155 schetsboeken dus. Gebonden boeken in allerlei formaten, hij koopt ze in Italië, ze moeten stevig zijn en mee op reis kunnen. Zo’n 150 pagina’s per schetsboek, zegt Van der Kooi, keer twee, want aan beide zijden bewerkt, dat maakt 300 tekeningen per schetsboek. Maal 155. Ruim 46.000 schetsen. En dan zijn er nog al die losse tekeningen. „Ik maak zo’n 3000 tekeningen per jaar,” zegt van der Kooi. „Ik schets elke dag.”

Zijn hele leven zit dus in een bepaalde zin in die schetsboeken.

Hij werkt, zegt hij, in twaalf schetsboeken tegelijk. Hij vindt het prettig om op verschillende formaten te werken met verschillend papier. „Anders word ik lui.”

Het uitgangspunt was nooit dat ik met mijn werk iets wil bijdragen, maar het blijkt soms dat ik dat toch doe

Jan van der Kooi

Lui worden, dat betekent: veel te goed kunnen wat je aan het doen bent. Altijd hetzelfde formaat, dan weet je op een gegeven moment echt wel hoe de hoogte-breedte-verhoudingen zijn. Altijd hetzelfde papier waarop de inkt zo lekker pakt – te makkelijk. „Als ik zes weken achter elkaar gorilla’s heb getekend, dan kan ik het uit het hoofd. Dan komt er voorspelbaarheid. En als ik merk dat het voorspelbaar wordt, zoek ik een uitweg – in materiaal, in een ander schetsboek, in een ander motief. Omdat ik goed kan tekenen wordt het ook altijd wat, en omdat het altijd wat wordt is de verveling er ook heel snel.”

Het moet niet te makkelijk worden

Afgelopen oktober was hij in de hak van de Italiaanse laars. („Fantastisch. Fantastisch. Matera. Zoek het maar eens op.”) Daar kocht hij een schetsboek en begon weer eens met potlood te tekenen – tien jaar niet gedaan, het was altijd krijt of inkt of verf. Hij laat schitterende potloodtekeningen zien van wat bijvoorbeeld een barokgevel moet zijn, maar dan zonder de barokke drukte, terwijl je die wel voelt.

„Er is voor mij geen grotere uitdaging dan iets wat niet te tekenen is, toch te tekenen.”

Wat is niet te tekenen?

„Ik stond in de Himalaya op de Annapurna, de hoogste bergen ter wereld om me heen en ik zei tegen mezelf: als je echt een grote jongen bent dan kun je dit ook tekenen.”

En wát wil je dan tekenen?

„Wat ik zie.”

Ja maar dat is een enorm landschap.

„Dus je moet een vertaling maken. Een barokke gevel, vol met details die er niet op staan – ik vind het een groot compliment als iemand een tekening ziet van vijftien lijnen en dan zegt: dat is Matera. Bij wijze van spreken, ik ga natuurlijk niet met die schetsboeken bij iedereen langs om te vragen: zie je wel wat het is?

„Ik vind het ook heel leuk om naakten te tekenen maar dan zó dat, stel dat zo’n naakt in een etalage in Parijs staat en iemand loopt langs, dat-ie dan denkt: hé dat zou Kim wel eens kunnen zijn. Ik zoek naar het kenmerkende of het wezen.”

Foto Kees van de Veen
Foto Kees van de Veen
Foto’s Kees van de Veen

Hoe weet iemand wat het wezen is van de Himalaya of trouwens ook van een kat die je ergens ziet zitten of een paar mensen die ergens staan. Waar zoekt iemand dan naar? Maar als het gesprek die kant op gaat, kapt Van der Kooi het af. Zo moet je het niet zien. „Ik wil die kat gewoon tekenen. Ik ga hier niet zitten om een meesterwerk te maken. Die kat zit hier, die wast zich, en ik teken die kat.”

Hij wordt, zegt hij, ‘aangezet’ door de werkelijkheid. Alsof de knop wordt ingedrukt, de motor begint te zoemen en hij begint te tekenen.

Volg de behoefte om de dingen te doorgronden

Hij gebruikt zijn schetsboeken ook om aantekeningen te maken voor schilderijen, met tekeningen en notities. Of om vast te leggen wat er gebeurt: hij is in de afgelopen tijd twee keer grootvader geworden, zijn beide zoons werden vader. Dat is het allerbelangrijkste zegt hij. En hij laat tekeningen zien: baby op de arm van een vader. Baby’s tekenen is heel moeilijk zegt hij.

Verder wemelen zijn schetsboeken ook van de zelfportretten.

„Ik denk dat ik er wel duizend heb gemaakt. Wie ben je als niemand kijkt? Het komt wel eens voor dat je onverwacht in de spiegel kijkt en dat je een bepaalde uitdrukking in je gezicht hebt waarvan je denkt: hé zo heb ik mezelf nog nooit gezien. Dat je jezelf betrapt.

„Ik moest eens een wortelkanaalbehandeling ondergaan en toen trok de tandarts zo’n heel klein spiegeltje en toen zag ik mijn gezicht – dat kan ik dan als het ware opslaan op de harde schijf. Toen ben ik naar huis gegaan en heb een tekening gemaakt. Niet om te verkopen, nee, dat is gewoon een voortdurende behoefte om de dingen visueel te doorgronden. Hoe zit het in mekaar.”

En je merkt hoe iets in elkaar zit door te tekenen.

„Je kunt het samenvatten in vijf woorden: studie, begrip, inzicht, verwondering, verbeelding. Stel je wilt een paard tekenen. Dat begin bij mij gewoon met: wat is dat eigenlijk, een paard? Hoe zit dat in elkaar? Om te weten hoe een paard in elkaar zit moet je het bestuderen. Dus je haalt dat paard uit elkaar. Dan krijg je begrip, dan denk je: nou snap ik ook wel waarom een paard heel hard kan rennen. Vervolgens krijg je inzicht. Ik begrijp nu ook wel waarom een paard niet viool kan spelen. Spaakbeen en ellepijp zijn gefuseerd, geen vingerkootjes… Vierde is verwondering: Tjongejongejonge. Wie dat bedacht heeft. En het vijfde is dan de verbeelding.”

Maar wat is verbeelding? Bedoel je dat letterlijk: omzetten in een beeld?

„Ja, maar niet fotografisch omzetten. Je moet de werkelijkheid vertalen en iets toevoegen.”

Hij begint over het zonlicht op de muur in de winter, over zonlicht op de zwarte schouw, hoe dat zwart dan toch licht is, lichter dan onbezonde witte muur. Dat hele spectrum aan licht en donker, zo licht als recht in de zon kijken, zo zwart als het ondergronds is en alles daartussen, nog geen tiende kan de verfwinkel aanbieden. En dan tóch, met die tekortschietende verf, dat zonlicht schilderen op de witte muur en op de zwarte schouw.

Probeer het langzaam te begrijpen

Wat zonlicht dan eigenlijk is, dat gaat hij zich afvragen, zegt hij. Eindeloos veel schilderijtjes maken eerst, van zonlicht op de muur, zonlicht in de tuin, zonlicht in Italië, zonlicht op het water. Dan gaat hij, oh heel langzaam, iets begrijpen. „Ik ben nu 46 jaar bezig”, zegt hij, „en ik begin nu heel langzaam te begrijpen waar het heen moet.”

En waar het heen moet is een dieper begrip van…

„Licht en donker bijvoorbeeld.”

En kijk je dan steeds om je heen naar wat je nog wilt begrijpen?

„Het is niet op een verstandelijk niveau. Ik ga gewoon tekenen.”

En in het tekenen ligt het gaan begrijpen, dat is een en hetzelfde?

„Ja.”

Wat zou er gebeuren als iemand tegen je zei: het is afgelopen met dat geteken en geschilder?

„Dat zou een ramp zijn.”

Maar wat dan?

„Ja dat…het is mijn bestémming. Het is niet iets wat ik gekozen heb of zo, het heeft mij gekozen. Ik teken altijd. Wij gaan op een terrasje zitten en dan bestudeert mijn vrouw de menukaaart en dan heb ik ondertussen een tekening gemaakt. Bij wijze van spreken. Dat gaat ademend. Als we op vakantie zijn sluiten we een compromis: gaan we ’s ochtends wandelen, daar houdt mijn vrouw van, en ’s middags ga ik tekenen. Nu ja, schematisch dan, zo zwart-wit is het natuurlijk niet helemaal.”

En wat maakt het de moeite waard om dat te doen?

„Om beter te worden dan ik ben.”

En waarom zou je dat willen?

„Omdat ik nooit tevreden ben.

En je hebt nooit gedacht: ik wou dat ik er eens vanaf was, van dat stomme geteken?

„Nee! ik ga ’s avonds op tijd naar bed want dan is het weer sneller ochtend en dan kan ik weer tekenen. Zoals vroeger als je jarig was.”

Het klinkt alsof jouw leven helemaal in orde is: je staat ’s ochtends handenwrijvend op en gaat tekenen. Maar als er zo’n crisis is of als het leven enorm tegen zit? Ga je dan ook gewoon tekenen?

„Je stopt toch ook niet met ademen? Er zijn nog steeds mensen bezig met het maken van mooie dingen, met muziek maken, met het schrijven van boeken. Het uitgangspunt is nooit geweest dat ik met mijn werk iets wil bijdragen, maar het blijkt soms dat ik dat toch doe. Dat er soms mensen troost in vinden.”

Trek je je daaraan op?

„Nee, aan het prachtige weer. Dat de natuur gewoon doorgaat. De vogels nestelen weer en het speenkruid bloeit en het fluitenkruid komt op.”

Dus je denkt nu niet: wat heeft het allemaal voor zin?

„Ja natuurlijk wel eens. Maar het zou heel dom zijn om dan niet door te gaan met tekenen.”