Opinie

Help ook de niet-rijksmusea

Coronasteun cultuur Het grootste deel van het culturele erfgoed is in beheer bij stedelijke en regionale musea. Zij verdienen ook steun, schrijven .
Schaal, kunstwerk van Nathalie du Pasquier, aangekocht door het Groninger Museum uit een veiling van kunstwerken uit de privecollectie van David Bowie.
Schaal, kunstwerk van Nathalie du Pasquier, aangekocht door het Groninger Museum uit een veiling van kunstwerken uit de privecollectie van David Bowie. Foto Robin van Lonkhuijsen/ANP

Minister Van Engelshoven (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, D66) heeft vorige week bekendgemaakt dat de Nederlandse cultuur een steunpakket van 300 miljoen euro tegemoet kan zien.

De hele sector is haar en het kabinet daarvoor dankbaar. Maar wie de Kamerbrief van de minister goed leest, slaat de angst om het hart. Een van de meest bloeiende en stimulerende onderdelen van de Nederlandse stedelijke en regionale culturele infrastructuur dreigt niet gered te worden: de musea. En daarmee komen collecties die eeuwigheidswaarde hebben in gevaar.

De minister schrijft dat ze met het pakket „het unieke Nederlandse artistieke product” en de „werkgelegenheid in deze sector [wil] waarborgen” door het „verhogen van de subsidie aan producerende instellingen in de Basisinfrastructuur”. Daarnaast wil ze een „beperkt aantal cruciale regionale musea” helpen met het steunpakket.

De term ‘Basisinfrastructuur’ (BIS) suggereert dat het de belangrijkste culturele instellingen van het land financiert. Maar in museaal Nederland is de situatie heel anders. Het overgrote deel van de musea maakt geen onderdeel uit van de BIS. Terwijl die musea wel collecties van nationaal en wereldbelang beheren. Ter verduidelijking: van de vier grootste kunstmusea in ons land is er maar één een rijksmuseum. De andere drie, ook nog eens de grootste musea voor moderne en hedendaagse kunst in ons land, zijn stedelijke musea die geen onderdeel uitmaken van de BIS. En dat is exemplarisch voor de Nederlandse museumwereld.

Lees ook: Pas na felle kritiek kwam Van Engelshoven met steunpakket

Stadsimago

De brief van de minister is een eerste aanzet maar nog geen reddingsboei voor de museale sector in Nederland. Een sector die binnen de cultuur als geen ander een grote rol speelt in de aantrekkelijkheid van Nederland en de steden. Een sector die als geen ander bijdraagt aan de waarde van de woningenmarkt en een sector die een stad het beste imago kan geven dat ze zich kan wensen. Maar bovenal een sector die het overgrote deel van het culturele erfgoed en het openbare kunstbezit van ons land beheert.

Over deze zogeheten Collectie Nederland rept de Kamerbrief met geen woord. En dus lijkt het steunpakket niet bestemd om het overgrote deel van museaal Nederland te helpen.

Nog geen van de wethouders van de grote steden heeft openlijk aangegeven het initiatief van de minister te zullen volgen en steun te verlenen aan de musea in hun gemeentes. Namens onze collega’s in heel museaal Nederland roepen we hen op dit spoedig en met verve en overtuiging te doen.

De keten van de kunst

Sinds 2009 is ongelofelijk hard gesnoeid in de subsidies die culturele instellingen in staat stellen erfgoed te beheren, kunstenaars te tonen en programma’s te ontwikkelen. Het was drastisch voor de gehele ‘keten’ van de beeldende kunst – van kunstenaar, presentatie-instelling tot museum. Juist die keten maakt de situatie in Nederland zo bijzonder. En deze keten is door de coronacrisis nu in gevaar gekomen.

Het Rijk zegt nu steun toe aan instellingen in de BIS. Dat is lovenswaardig. Maar de belangrijkste bijdrage aan het museale bestel, zo’n 70 procent, komt van de stedelijke en regionale overheden. Al met al gaat er van de totaal begrotingen van de Nederlandse overheden in Nederland ongeveer 0,3 procent naar cultuur. Dat is weinig, zeker gezien de betekenis van de instellingen – of ze nu van het Rijk zijn of gemeentelijk dan wel regionaal – voor de stedelijke infrastructuur en economie.

Daarom deze oproep aan politici en bestuurders, op gemeentelijk en rijksniveau: vergeet naast de kunstenaars, de stedelijke en regionale musea niet. Anders zet u niet alleen de banen van duizenden mensen op het spel, maar ondergraaft u het imago van de stedelijk cultuur én lopen we het risico onze rijke museale collecties te verkwanselen.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.