Het zijn nu dorre tijden in het bierlandschap

Wat eten we? De levensbron van al die nieuwe brouwerijen, stijlen en bieren is door het virus nagenoeg opgedroogd.

De pilswoestijn ligt nog geen twintig jaar achter ons. Het waren de dorre tijden waarin nauwelijks iets anders van Nederlandse bodem te krijgen was dan ongeïnspireerd fabriekspils, tijden waarnaar niemand terug wil. De kans dat dat gebeurt, is niet groot, maar iets van de luister in de bierwereld dreigt nu wel verloren te gaan. De levensbron van al die nieuwe brouwerijen, stijlen en bieren die de laatste jaren opdoken, is door het virus nagenoeg opgedroogd. De horeca is gesloten, evenementen zijn afgelast. Veel nieuwe brouwers zagen de helft van hun omzet verdampen.

Zestien brouwerijen telde Nederland op het dieptepunt, rond 1980. Inmiddels zijn het er volgens de laatste cijfers van de Stichting Erfgoed Nederlandse Biercultuur 765. Rond de brouwketels fluistert men al langer dat het er eigenlijk te veel zijn. Brouwerijen hadden zich schrap gezet voor de onvermijdelijke recessie of prijzenoorlog die de groei zou stoppen. Maar een pandemie als scherprechter? Nu is het improviseren.

„We merken dat onze webshop heel hard loopt”, begint Dyan Beinema maar met het goede nieuws. Hij werkt voor de Bredase brouwerij Frontaal, die ook een taplokaal en bierfestival heeft. „Maar het vangt niet alles op. De inkomsten van het brouwcafé vallen weg. De horeca, waar wij 60 of 70 procent van onze inkomsten vandaan halen, valt helemáál weg.” En het belangrijke festivalseizoen is ook nog zeer onzeker.

Brouwers bedenken kunstgrepen om inkomsten bij elkaar te scharrelen. Er worden online rondleidingen gegeven, videoproeverijen gehouden en drive-inwinkels opgezet. Tientallen brouwers hebben in allerijl een webshop geopend, waar steunpakketten verkocht worden. In hoeverre dat iets uithaalt, is de vraag. De thuisdrinker wendt zich vaak tot de supermarkt, waar juist de brouwgiganten het voor het zeggen hebben. Dat is ook hoe de pilswoestijn zo dor werd.

Weinig brouwers kunnen van de winkelverkoop leven, ziet Michel Ordeman, oprichter van brouwerij Jopen en voorzitter van brancheorganisatie Craft. „Ik denk dat zelfstandige brouwers voor meer dan de helft afhankelijk zijn van de horeca.” Craft vroeg de brouwerijen middels een enquête hoe ze de gevolgen van de virusuitbraak inschatten. De helft zei te vrezen binnen een halfjaar om te vallen, een derde al binnen drie maanden. Er zijn voorbeelden van brouwers die met de horecasluiting 90 procent van hun inkomsten verliezen.

Het gaat om de horeca

Het gaat voor de kleine brouwerijen uiteindelijk om de horeca. Kroegen worden waar mogelijk door de bierbranche bijgestaan. Fusten worden kosteloos teruggenomen en tanks geleegd. Beinema en zijn collega’s hebben met een speciaal apparaat al vatbier van zo’n twintig cafés overgetapt in duizenden blikken. Dat levert de brouwerij niet direct iets op, maar „het geeft hun weer een beetje omzet om uit de kosten te komen”.

Lees ook: De 40 smakelijkste Nederlandse bieren

De tragiek wil dat juist de ruggengraat van de bierwereld nu vatbaar is voor problemen. Relatief telt Nederland dan wel veel meer brouwerijen dan andere landen, de helft heeft geen eigen ketels, en hoeft dus ook minder investeringen en personeelskosten terug te verdienen. Maar de meeste brouwkennis zit bij brouwers die wel risico’s lopen. Zeker twintig brouwers zijn volgens ingewijden al op zoek naar hun exitstrategie. Ze vragen rond of iemand hun ketels wil overnemen.