Opinie

De straten zijn leeg in East Elmhurst

Grunberg in New York

Van de winter deed ik mee met Circus Zanzara – ik schreef erover in deze krant – en ik sloot vriendschap met Adrian, de clown. Zijn grootouders waren Joden uit Oost-Europa, hij woont in Barcelona en van tijd tot tijd stuurde hij clowneske video’s vanuit zijn quarantaine over de elfde plaag: Netanyahu.

Op een middag schreef Adrian dat zijn vader was overleden. Hij had een spandoek over zijn balkon gehangen waarop stond: ‘Guillermo (ma padre) Ha Muerto, un beso papi.’ In de schemering draaide Adrian, staand op het balkon, zijn vaders favoriete nummer, ‘Mayn Shtetele Belz’ (Mijn stadje Belz). Belz, een stadje in Oekraïne vlakbij de Poolse grens waar Adrians grootmoeder vandaan kwam.

Even was ik in Belz, maar ik moet naar East Elmhurst in Queens, de zwaarst getroffen buurt van de stad. Twee derde van de bevolking daar is latino, gemiddeld inkomen: 54.121 dollar. De buurt die het minst getroffen is, is Park Slope, Brooklyn. Twee derde van de bevolking daar is wit, gemiddeld inkomen: 123.583 dollar. In Park Slope wonen bijna geen gezinnen met drie generaties bij elkaar.

De straten zijn leeg in East Elmhurst. Huizen met tuinen. Een man met een capuchon op vraagt: ‘Waar zijn de hotels?’ Hij heeft een doosje van McDonald’s bij zich.

Een opluchting als ik in een voortuintje een moeder met kind in de zon ontwaar.

In de taxi naar Manhattan denk ik aan de twaalfde plaag: de app waarmee de Nederlandse regering haar burgers wil opzadelen.

De drogist op 34ste Straat en Park Avenue verkoopt wc-papier nog altijd slechts per rol. Voilà, de dertiende plaag.

Een bedelaar roept: ‘Waarom antwoord je niet, man?’

Ik draai me om. ‘De vader van de clown is dood,’ zeg ik.

Hij knikt. Wij clowns begrijpen elkaar.

Dit vermoeden echter heeft mij nooit verlaten: de gruwelijkste plaag ben je altijd zelf.

Schrijver Arnon Grunberg woont in New York City.