‘Uit nieuwsgierigheid begon ik met een kast’

Dit ben ik Iedereen heeft verschillende identiteiten. Hoe worden we wie we zijn? Deze week: Wim Sontrop (64). Aanmeldingen voor deze rubriek: ditbenik@nrc.nl

Foto Aziz Kawak

‘Ik werk graag met rachels, planken die tegen de balken van een plafond zitten onder de stuclaag. Die hergebruik ik door er kasten en andere meubels van te maken. Eeuwen zijn ze uit het zicht geweest, ineens kun je ze zien. Elke rachel heeft een verhaal. De een komt uit de achttiende eeuw, in de ander zie je sporen van nieten. Je pakt zo’n plank en je kunt de geschiedenis teruglezen.

„Ik begon ooit met kantoorwerk. In ons milieu was dat al een stukje hogerop. Mijn vader was fabrieksarbeider, mijn moeder huisvrouw. Een gemiddeld naoorlogs katholiek gezin met negen kinderen.

„Ik was een nakomertje, had een makkelijke jeugd met veel vrijheden. Midden jaren zestig ging het Nederland enorm voor de wind. Het loon van fabrieksarbeiders werd jaarlijks naar boven bijgesteld. Er kwamen vakanties. Met drie of vier kinderen gingen we naar een kamertje in Drenthe. Later huurden mijn ouders een zomerhuisje in Doorn. De ongekende luxe dat je in één week drie ijsjes kreeg.

„Rond mijn twintigste ontmoette ik een vrouw van wie ik idolaat was. Via haar ouders kwam ik in aanraking met muziek, boeken. Eerst woonden we nog thuis, later huurde ik een kamer. Daar gingen we samenwonen met onze poezen Mayday en Cupido. Ik had een baan, kon mijn eigen kleren kopen, ging op vakantie naar de Middellandse Zee.

„Mijn broers en zussen gingen allemaal in de fabriek werken. Van Houten chocola in Haarlem, Strabo Verpakkingen in Den Dolder. Daar werden zakken voor groente en fruit gemaakt – als je er werkte was je ‘zakkenplakker’. Zelfs ik heb er gewerkt, als facturist.

„Maar ik sloeg al snel aan het fladderen. Een kameraad ging bij een groot kantoor werken. Dat verdiende beter, ik solliciteerde ook. Na vier weken werd ik ontslagen. Ze vroegen of ik het leuk vond, ik zei: nee. Ik kreeg stápels kaarten en moest dan één ding uitgummen. Met Kerst moest ik weg, ik kreeg nog wel een kerstpakket mee.

Jaren heb ik bij Randstad uitzendwerk gedaan. Heerlijk, je zat nergens aan vast. Begin jaren tachtig kwam de recessie en had ik geen werk meer.

„Jaren heb ik bij Randstad uitzendwerk gedaan. Heerlijk, je zat nergens aan vast. Begin jaren tachtig kwam de recessie en had ik geen werk meer.

‘Hoe rol je in een ander vak? Ik kwam op straat langs containers en dacht: goh wat een mooi spul, dat mensen dat weggooien. Daar kan ik wel iets van maken. Uit nieuwsgierigheid ben ik begonnen met een kast. Dat vond ik mooi, sober. Ik ben avondcursussen meubelmaken gaan volgen. Via de Wet Inkomensvoorziening Kunstenaars kreeg ik vier jaar een maandelijkse toelage, daarna moest ik mezelf kunnen bedruipen.

„Ik ben steeds meer eigenzinnige kasten en meubels gaan maken. Met sloophout. Ik had nog nooit gehoord van mensen die ook met sloophout werken, zoals Eek. Die had een bekend, groot bedrijf. Samenwerken is niet mijn ding, kunstenaars moeten alléén iets creëren. Ik ben een einzelgänger. Als er te veel mensen binnenkomen in mijn winkel raak ik al geïrriteerd.

„Mensen wilden graag grote tafels, die ben ik ook gaan maken. Stoelen niet, te ingewikkeld. Later soms wel kleinere objecten, zoals kandelaars. Iemand vroeg: maakt u ook vogelhuizen? Dan denk ik: hé! Storten we ons daar eens op. Op een kunstzinnige manier, anders kopen mensen het wel bij de Praxis. Ik vind het belangrijk om dingen te maken die je in de eerste plaats zelf mooi vindt. Ik hoef er niet mee de weg op. Hoewel ik die vogelhuizen redelijk heb verkocht.

„In de economische groei van de jaren 90 had ik heel veel klanten. In 2012, het was weer crisis, ben ik wat ander werk erbij gaan doen. Huizen, gevels schilderen. En interieur-timmerwerk. Oude huizen maak ik weer zoals ze ooit gebouwd zijn, met de oorspronkelijke materialen.

„Het ene moment ben je vormgever, het andere meubelmaker, het derde kunstenaar – zie ‘Ginger en Fred’ daar in die lijst, gemaakt met takjes en touw uit de duinen op Texel.

„Mijn dochter is acht. Mijn vriendin en ik hebben ieder een huis maar zijn veel samen – niet dat je als een nomade heen en weer trekt. Bij mijn ex-vriendin drink ik nog elke zondag koffie en eet ik een gekookt eitje. Met haar heb ik een halfzoon, hij is twintig. Ik ben niet zijn biologische vader maar heb hem wel mee-opgevoed. Ik ken haar 44 jaar. Wel mooi: een vrouw van wie je niet los komt en waar je ook niet bij blijft. Een soort levenspartner met wie je niet álles deelt.”