Recensie

Recensie Boeken

Deze schrijfster kijkt terug op een leven vol vrouwenhaat

Feminisme In haar memoir beschrijft Rebecca Solnit hoe ze als 17-jarige de ranzige buurt en het gewelddadige gezin verlaat waar ze een zwart schaap is, en wijdt flonkerende passages aan haar nieuwe leven in de grote stad. (●●●●●)

Rebecca Solnit.
Rebecca Solnit. Foto David Levene

Men Explain Things To Me, zo heet het bekendste boek van Rebecca Solnit (1961), ‘Mannen leggen mij dingen uit’. Zes jaar geleden publiceerde ze het, inclusief het hilarische essay dat haar doorbraak betekende. Ze beschrijft daarin hoe een man haar neerbuigend onderhoudt over ‘een heel belangrijk boek’. Minutenlang rammelt hij door, dat hij het over een boek van háár heeft, hoort hij niet.

Het was voor het eerst dat iemand aandacht besteedde aan onder de voet gepraat worden door een windbuil die denkt dat hij dat kan doen omdat hij man is en belangrijk (volgens hemzelf). Inderdaad, zo’n monoloog heet ‘mansplaining’, voor een Nederlandse equivalent kan gedacht worden aan ‘mannoloog’.

Zeven boeken later, komt Solnit met Recollections of My Non-Existence, een soort memoires. De bedoeling is niet dat de lezer haar leven verteld krijgt, het gaat om haar schrijven en denken en hoe dat is gevormd. Dat betekent een voor Solnits doen dartel boek vol herinneringen, aan haar jeugd, aan vriendschap, aan ellende. Aan zoektochten en vondsten. Aan angst en vrees en vreugde.

Schrijftafeltje

Ze opent haar boek met een foto van een rank, witgeschilderd schrijftafeltje. Dit is haar leven, schrijft ze. Dit was ook ooit een geschenk van de vriendin die ternauwernood de messteken van haar stalkende ex overleefde. Het trekt je direct het magisch denken à la Solnit binnen: iemand probeerde een vrouw het zwijgen op te leggen. Die vrouw gaf Solnit haar bureau, een podium voor haar gedachten. En nu vraagt Solnit zich af of alles wat ze aan dat tafeltje schrijft tegenwicht is tegen de poging om een jonge vrouw te reduceren tot het grote niets.

Ze beschrijft hoe ze als 17-jarige de ranzige buurt en het gewelddadige gezin verlaat waar ze een vreemde eend is omdat ze haar genot uit de bibliotheek haalt, en wijdt flonkerende passages aan haar eerste eigen appartementje. Dat vindt ze in een zwarte wijk, waar ze opnieuw een vreemde eend is, maar dan een die gastvrij wordt ontvangen.

Verrukkelijk zijn de passages over haar volwassen worden in het San Francisco van de jaren tachtig. Het is een paradijs van sub- en tegencultuur waar Solnit zich als een vis in het water voelt en in alle vrijheid kan opbloeien, ‘alhoewel het vermijden van hippies die omhelzingen eisten een voortgaand project voor ons jonge vrouwen was.’

Ze is een ernstige denker, grimmig, soms op het drammerige af. Maar is ze op haar gemak dan laat ze de woorden vrijelijk stromen van de ene associatie naar de andere. Dan vertelt ze achteloos dat ze voor een essay de filmster Dennis Hopper wilde spreken. Dat ze na veel soebatten eindelijk langs mocht komen. Maar dat ze dat ‘na Blue Velvet’ niet meer durfde – en dat is typisch Solnit: wat voor film Blue Velvet is en wat Hopper daarin deed, laat ze in het midden. Wie dat niet weet, moet dat maar even opzoeken. Waar het om gaat is dat ze niet zegt ‘het is maar een film, hij speelde maar een rol’. Wat een kunstwerk haar doet of aandoet neemt ze serieus en daar denkt ze op voort. Vraagt een klimaat-performer in Arizona haar om uren de woestijn in te kijken met haar handen in een schaal honing, dan doet ze dat – en ze beschrijft het onvergetelijk. Zonder zweverigheid of kleverigheid, maar reëel en onversaagd op zoek naar betekenis.

Basisschool

Haar eerste essay, claimt Solnit, is haar eerste opstel op de basisschool. Het besloeg één zin: ‘Als ik groot ben ga ik nooit trouwen’. Dat lijkt nietig, maar het was iets enorms. Zo jong als ze was zag ze de misère op het gebaande pad voor meisjes en vrouwen. Ze koos tegen haar milieu en weigerde te zwijgen over de wanverhouding tussen de seksen en de voor vrouwen ingebakken eenzaamheid.

Dat opstel legde de kiem van een schrijfster die zichzelf leerde om neer te strijken bij een onderwerp, het verregaand uit te denken en te researchen, onderwijl vriendschappen smedend. Een schrijfster die vervolgens een even elegant als woedend als diepgravend als met stomheid slaand essay schrijft. Die daarna verder trekt maar die onderwerp noch vrienden ooit zal loslaten. Met als gevolg dat haar essays enerzijds steeds monomaner worden, en anderzijds steeds rijker.

Lees ook: ‘Ontwikkeling van vrouwen is niet meer te stuiten’

‘Herinneringen aan mijn niet-bestaan’ heet deze bundel. Het had ook ‘Herinneringen aan vrouwenhaat’ kunnen zijn. Haar voornaamste onderwerp is sinds jaar en dag het ontkennen van het belang van vrouwen en het achteloze geweld dat daaruit voortvloeit. Wat er niet toe doet, kun je een schop geven – of een vrouw een huisvrouw is, een schoolmeid, een verpleegster, of een schrijver, dat maakt niet uit.

Kansloos

Het effect is desastreus, Solnit beschrijft het telkens weer en telkens anders. Wie er consequent niet toe doet, ziet zichzelf ook niet meer staan. Die probeert te voldoen aan het irreële ideaalbeeld om in godsnaam maar gezien te worden. Die is kansloos. Ze neemt de #MeToo-beweging serieus maar alleen als het begin van een begin van verandering.

In hoeverre is deze memoir te lezen als je eerste Rebecca Solnit? Helemaal. Deze terugblik doet het goed als introductie, vol koekjes van het deeg dat zij in al haar bundels staat te kneden. Wie het uit heeft, stort zich graag op Wanderlust (2001). Heel anders, namelijk de geschiedenis van het wandelen en van wie dat deden en waarom, en al helemaal Rebecca Solnit. Vol activisme, feministisch elan en vol van de kunsten en literatuur die ook het wandelen blijken te beheersen.