Opinie

Onze obers zijn ons lief in een cementen kuuroord

Grunberg in New York

Restaurants vragen vaste klanten geld te doneren voor het personeel. Sociale zekerheid mag hier nauwelijks bestaan, maar er zijn alternatieve vormen van gemeenschap, die van restaurantbezoekers bijvoorbeeld. Wij doneren, onze obers zijn ons lief.

Aan een vriendin schrijf ik: „De stad lijkt een cementen kuuroord. Misschien zijn we verdoemd, maar ook dat is een vorm van uitverkoren zijn.”

Waar halen wij ons eten vandaan? Wij die zo consequent weigerden voor onszelf te zorgen dat er appartementen werden gebouwd zonder keukens? Wij die zo graag met tegenzin leefden, maar wie leeft met frisse tegenzin, en ik heb nooit iets anders gedaan, behoudt zijn goede humeur.

Kajitsu, het Japanse restaurant op de 39ste Straat en Lexington Avenue, ook daar halen wij eten. Op de deur hangt een briefje: „Bel onderstaand nummer, dan doen we open.”

Alsof je naar de hoeren gaat.

Ik bel, dan doet een dame in kimono open. Ze geeft me een tas en een tulp.

„Een bloem?”, vraag ik.

„Uit dankbaarheid”, zegt ze, „voor je loyaliteit.”

„Ach”, mompel ik, „ik moet gewoon eten.”

Thuis zet ik de tulp in een vaas, weer een altaar erbij.

Etend op de grond – de tafels zijn bedekt met boeken, de vloer is een prima eettafel – luister ik naar Annie M.G. Schmidt. ’s Avonds als de waanzin door de stad schuifelt in de vorm van krankzinnig geworden daklozen haal ik graag wat Hollandse nuchterheid binnen.

Dit komt uit de musical Foxtrot, uit 1977: „Maar we trekken ons er niets van aan/ We beginnen weer van voren af aan/ Het is altijd zo gegaan/ Nooit iets anders gedaan/ Dansen op een vulkaan.”

Altijd weer waren er mensen die dachten dat alles ten onder zou gaan. Altijd weer waren er overlevenden. Altijd weer waren er mensen die vroegen: wat mag dat overleven eigenlijk kosten?

Schrijver Arnon Grunberg woont in New York City. Op deze plek schrijft hij over de impact die het coronavirus heeft op het leven daar.