Recensie

Recensie

De Volkswagen Passat is nog steeds de beste doodgewone auto die er is

Autotest benoemt nog één keer uit volle borst de onvergankelijke deugden van de Volkswagen Passat.
De Volkswagen Passat
De Volkswagen Passat foto Merlijn Doomernik

Tot diep in de jaren zestig draaide Volkswagen goeddeels op één model, de stokoude Kever. Bestuursvoorzitter Heinrich Nordhoff weigerde nieuwe wegen in te slaan en het concern ging aan die halsstarrigheid bijna ten onder. Sinds de Golf van 1974 gaat het goed, al is VW allang VW niet meer. Nieuwe Volkswagens heten T-Cross, T-Roc of Tiguan, in de folders afgebeeld met actieve, dynamische mensen die je nooit in het echt zag.

Toen de Duitsers nog echte Duitsers waren, bedachten ze net voor de Golf kwam de Passat. Op het Italiaanse ontwerp na was alles strikt volkseigen in de goede zin. Duitse motoren, Duitse fabrieken. Duits de illusieloos Spartaanse gedegenheid van de interieurs, de bewonderenswaardige en voor francofielen onthutsende mentale discipline van techniek en inrichting, geschapen voor een middenklasse die niet taalde naar charme en stijl. Voor een klokje of elektrische ramen kocht je maar een Mercedes. Men kende nog zijn plaats op de discretieladder.

Tot diep in deze eeuw hield die cultuur van trotse orde stand. Als ik de vernieuwde Passat van de achtste generatie ophaal, besef ik dat zijn overlevingskunst een wonder is. Wat moet het volk met die rechtlijnige sedans en stations, nu het van Wolfsburg suvs met rare namen blieft en krijgt die passen bij hun van brochures en commercials opgestoken lifestyle? Helemaal gevrijwaard van de tijdgeest bleef hij niet. Ik heb Passats met vijf, zes en acht cilinders zien voorbijtrekken, die op hun burgerlijke tenen naar de bovenklasse lonkten. Maar altijd keerde hij tijdig op zijn schreden terug om ondanks navigatieschermen, led-koplampen, touchscreens en actieve veiligheidssystemen net genoeg de brave borst te blijven die hij was. Mijn vertegenwoordigers-Variant, het Volkswagenwoord voor stationcar, heeft maar 150 pk, meer dan genoeg. In hem waart nog de sobermans van ooit, de geest van matigheid en logisch inzicht. Knoppen en tiptoetsen zijn blind bereikbaar, de stoelen hard en oersolide, de klokken digitaal maar nog zo rond en strak afleesbaar als in 1972. Hij is het laatste stukje Duitsland in een door uiterlijk vertoon geperverteerd modellengamma. Ik wil geen kwaad woord over hem horen. Ik zal niet klagen over zijn gemiddelde prestaties, niet mokken over zijn kleurloze rechtlijnigheid. Ik benoem nog één keer uit volle borst zijn onvergankelijke deugden, van de voorbeeldige ergonomie tot de riante ruimte, de eervolle onopvallendheid die van een deugd gebrek werd toen de Duitse mens esthetisch overprikkeld raakte en zich voortaan niets minder wenste dan zo’n malle T-Roc. Hij is je gids van wieg tot graf. In de laadruimte past met neergeklapte achterbank een doodkist en voor het laatste uur slaat, is de achterbank geschikt voor seks met de vereiste acrobatische armslag. Mocht althans enige Passat-rijder nog de behoefte voelen, nu daar toch maar ruziënd en kraaiend zit te keten wat de functionele copulatie voortbracht.

Kniesoren

Ik heb zelf een Passat gehad. Ik kocht hem uit bewondering voor het concept en de nieuwsgierigheid naar het wezensvreemde, zoals een westerling vroeger naar Poona trok om de mystiek te proeven. Het betrof een sedan van het type B4 en het was met afstand de saaiste auto die ik ooit bezat. Met zijn korte neus en overmaatse cabine zag hij er niet uit, maar de ontwerper slaagde erin een auto van vier meter 57 zo groot te maken als nu een ruim dertig centimeter langere Skoda Superb. Ik kon mijn benen strekken op zijn achterbank. Zijn tekenaar was Herbert Schäfer, een Duitser wiens vergeten naam alsnog geheiligd zij. Hij ging niet kapot, hij was de trouwe hond die je beminde om zijn kwispelstaartende voorspelbaarheid. Mijn verlichte kaste dreef genadeloos de spot met dat belachelijke burgerding. Toen wist ik, dat de mens verloren was. Als stervelingen deze grootse nuchterheid niet meer begrepen, hield het op.

Alsnog hoopgevend hoe de strakke, digitale, met bliepjes en signaaltjes volgepropte leen-Passat me weer doet denken aan de mijne. Kom er maar in, kniesoren: „Vind je hem niet een beetje duur geworden voor een volkstransporter?” Dat is de prijs voor de eeuwigheid, lieve mensen. Hij geeft geen aanstoot, hij is niet opwindend, hij heeft wat aansporing van het pedaal nodig om zijn burgerlijk aanvaardbare prestaties te volbrengen, maar de Gamma nadert en het laadruim wacht. Ik gooi je bomvol jongen, ik gun je je dienstbaarheid. Jij bent nog steeds de beste doodgewone auto die er is.