Recensie

Recensie Boeken

Succesvol, rijk en doodongelukkig

Joost de Vries Joost de Vries schrijft in Rustig aan, tijger over succesvolle mensen. Ze wentelen zich in aanzien, status, roem, geld. Maar of ze gelukkig zijn?

Illustratie Paul van der Steen

Joost de Vries schrijft in Rustig aan, tijger over succesvolle mensen. Ze wentelen zich in aanzien, status, roem, geld. Een oorzaak van dat succes is misschien wel hun vermogen om zich precies zo te presenteren als de buitenwereld hen graag ziet – waardoor ze ook soms naar zichzelf kijken en denken: ‘Ik was te veel bezig met slim zijn, met laten zien wat ik wist, wat ik kon.’ Of ze bezichtigen dure huizen, lopen een rondje door de omgeving, kijken uit over het water en denken: ‘Ik voelde me als Odysseus aan het einde van zijn reizen’. Binnen, maar moegestreden.

Even later vraagt meneertje Odysseus zich trouwens af ‘of ik dat echt dacht, toen’, want de personages in deze verhalenbundel vertellen er pas over ná het meemaken. Dat voelt logisch, maar is ook een spanningsverhogende literaire techniek: zo krijg je een verdubbeling van perspectief. Een schrijver die dat doet ‘daagt zijn lezers uit om samen met hem over de moeilijkheden van zijn personages na te denken’, zoals criticus Arie Storm het aanduidde in een essay over Maarten ’t Hart. Daardoor ‘kunnen wij al lezend het beeld compleet krijgen’.

Anekdote

Aan dat beeld zitten rafeltjes – immers, als ze mensen uit een stuk waren, had die verdubbeling zich niet voorgedaan. Joost de Vries (1983) laat zijn personages aarzelen of ze wel gelukkig zijn. Al zien zij hun zelfbeschouwing soms nog aan voor controle: ‘Terwijl het zich in realtime afspeelde, ervoer hij het al als de anekdote die hij er straks van kon maken. Als je dat kunt volhouden in het leven, dacht ik, dan ben je onkwetsbaar.’

Die verdubbeling geeft de vertelling soms iets moeilijkdoenerigs, bijvoorbeeld als na de openingszin wordt vastgesteld ‘dat dat een lekker vette openingszin zou zijn voor een roman’, en zo nog een halve pagina voort – maar het bréngt De Vries wel ergens. Het toont in elk geval zijn groei als schrijver: het is precies die laag die ontbrak in zijn vorige roman Oude meesters (2017), waarin de personages op erg oninteressante wijze niet naar zichzelf keken. Nu ontstaat er, gelukkig, gedurende het verhaal een besef van verlies: ze zijn iemand anders geworden, en verloren daarmee een deel van hun oprechtheid, menselijkheid.

Het mooist komt dat naar voren in het eerste verhaal van de zeven, dat perfect opgebouwd is en bezield voelt, doordat De Vries een gevoel van melancholie op vele manieren weegt. Het gaat over hoe de verteller altijd opkeek tegen een jonge leeftijdsgenoot die nu dood is, over de korte affaire die hij ooit had met diens vriendin, hoe dat hem groter en sterker maakte (op een kinderachtige manier: ‘het voelt alsof jij allang een mooier dubbel benedenhuis hebt’) en hoe dat gevoel door het overlijden weer omdraait.

Lees ook de recensie van zijn vorige boek, Echte pretentie: Joost de Vries vergaloppeert zich in zijn nieuwe boek

Ook in dat verhaal, getiteld ‘Creatief schrijven’ (leuk), zijn er veel omtrekkende, uitzoomende en essayistische bewegingen. De verteller zegt dat hij houdt van romans die beginnen met een doodsaankondiging, maar vindt het ook een zwaktebod (‘het maakt onverdiend gebruik van het loden gewicht van de dood, want de personages bestaan op die eerste bladzijdes amper’) – een slimme manier om te suggereren dát er iemand dood is, en dat dit verhaal daar toch echt mee had móéten beginnen, maar dat het personage niet tot zulke directheid in staat is.

Geknutseld

Zo stuurt De Vries vaker verhaalelementen voor zich uit, om de weg alvast vrij te maken. Dat werkt soepel bij een rijkeluistuin waarover hij beeldend-beschrijvend opmerkt dat die ‘overigens groot genoeg [is] om honderd mensen te ontvangen voor een receptie en het nog steeds niet vol te doen aanvoelen’, waarna die receptie al begonnen blijkt. In een ander verhaal wringt het: dan valt er een Chinese schrijver uit de lucht die ‘metaforen met een open einde’ schrijft, schijnbaar alleen zodat de verteller later op die metaforen kan terugkomen. De Vries’ stijl zit vol spitsvondigheden, uitstapjes, verwijzingen, wat zijn zinnen vaak rijk maakt, alsof er van alles in bruist, maar het kleeft wel aan de verhalen dat ze soms in-elkaar-geknutseld aanvoelen. En het maakt tik- en taalfouten des te ergerlijker: dan schrijft De Vries het als Spaans bedoelde ‘ogos’, of het textielreinigingswerkwoord ‘schuieren’ waar iets als kuieren of schuifelen bedoeld is.

Dat knutselige stoort aan het verhaal ‘Brief uit Menorca’, geïnspireerd op een verhaal van Cees Nooteboom uit diens bundel ’s Nachts komen de vossen (2009). Het tweedelige verhaal is het omvangrijkste uit Rustig aan, tijger, maar ook het minste: de verteller mijmert over hoe het reclamebureau waar hij werkte na een grote succesklus uiteenviel. De Vries nam de structuur van Nootebooms verhaal ‘Paula’ nauwgezet over, waardoor je je wel afvraagt wat hij er precies aan wilde toevoegen – ja, hij vult het in met De Vries-zinnen, maar wat op wezenlijk niveau?

Dan gaat ook de knappe-mannen-beeldschone-vrouwen-thematiek vervelen – van succesvolle mensen die het vermogen tot overgave ontberen, daar wel mee worstelen in hun melancholisch terugblikken, maar dan: niks. Want tja: ze hebben weelde, seks. Lijken de verhalen niet erg veel op elkaar?

Thierry Baudet

Dat gevoel verdwijnt in het slotverhaal, waarin plots een crescendo wordt ingezet die de voorgaande verhalen nog even losschudt – laat, maar toch, daar gaat de boel ongemakkelijk schuren. In ‘Smile’ kijkt een oud-minister terug. Vooral op wat hij allemaal níet deed aan de klimaatproblematiek, hij had tenslotte het vermogen om zorgen van zich af te laten glijden, saai als hij was. ‘Zijn saaiheid werkte als een opioïde: het haalde de scherpe kanten van zijn dag af.’ In feite is het verhaal een uitzinnige dystopie, maar als sluitstuk van de bundel werkt dat: het geeft precies aan welke grotere effecten het kan hebben als mensen in hun weelderige ivoren torens blijven zitten, zeker als ze beleidsmakers zijn. ‘Er zijn belangrijkere dingen dan de dingen die het belangrijkst zijn’, is zijn cynische motto. De figurantenrolletjes van Thierry Baudet, door de hele bundel heen, krijgen zo een arglistig bijsmaakje. En er komt nieuw gewicht in de wat gratuite doemmonoloog van de hoofdpersoon in ‘Het einde van de geschiedenis’, nota bene een vlogger die in Dubai resideert en over zijn volgers zegt, als ze om foute grappen lachen: ‘Dat waardesysteem verdwijnt. Ze zijn gelukkig met hun comfort, dat is belangrijker dan grote opzwepende verhalen en ideologieën. Die zijn hier niet.’

Gratuit? Makkelijk leven heb je, als je zulke beangstigende vaststellingen gratuit kunt vinden. Dat is het complete beeld van Rustig aan, tijger, met dat gevoel laat De Vries je achter.