Commando

is visser en doet verslag vanaf de waterkant. Deel 32: dierenliefde
Dagboek van een visser

In normale tijden had ik nu, terwijl ik dit opschrijf, in een mieterse kajak rondgedobberd op een onstuimige zee nabij een ruige, door stormvogels bewoonde rotskust van een niet nader te noemen dwergeiland en was ik, met enig geluk, in een fel gevecht verwikkeld met een woedende barracuda die ik tijdens een smeulende zonsondergang sappig geroosterd had opgediend met een fles ijskoud kokosbier.

In normale tijden.

Voorlopig zit ik in een klapstoeltje van de Action aan een kikkerbadje in Zwijndrecht met weinig action. Ik hoorde geruchten, over een lolbroek die hier een Victoriabaars zou hebben uitgezet. Een dik uur later bleek het grootste spektakel de landing van een lieveheersbeestje op m’n knie. De vissen verschuilen zich diep en verroeren geen vin; alsof ze allemaal afstemden op de persconferenties van Macron in plaats van Rutte.

Wij vissers kampen met een dubbele lockdown: het gesloten seizoen voor roofvis is ingegaan. Twee maanden lang met je tengels afblijven van snoek, snoekbaars en baars, omdat ze aan het wippen zijn en wie wipt mag je niet storen. A matter of style.

Heel Holland wipt trouwens. Je moet wat.

Maar kijk! Daar heb je ze weer, die goede oude karperhengelaars! De Jehova’s onder de vissers. Met hun militaire nederzettingen en legergroene broeken geloven ze heilig in hun missie. Niets is ze te gortig, geen weer of wind. Werkelijk alles halen ze uit de kast voor die ene dikke schubkarper.

Heerlijk vind ik het, deze commando’s bespieden, zoals gisteren, veilig vanaf de andere oever, want pottenkijkers lusten ze niet. Met een verrekijker verstopte ik me tussen de hoge rietkragen en kon zo minutieus volgen hoe ie z’n kazerne-installatie, tent, elektronische piepers, afstandsbootjes, grondbeugels, landmijnen, granaatwerpers, in elkaar knutselde. Na dik anderhalf uur plofte ’ie bekaf in z’n legergroene stoel met mokhouder, zette z’n petje op en tuurde naar het water, en ik tuurde naar hem.

Kort erna dommelde ik in en werd ik wakker door het gezang van een pimpelmees in een struik naast mij. De commando was diep onderuitgezakt. Knikkebolde hij nou?

De pimpelmees kreeg gezelschap van een vrolijke vink, beide gadegeslagen door een puttertje in de berk. Wat een kleurenpracht! Ze schenen mij dolgelukkig. Hun melodietjes tilden me omhoog, hoger en hoger het luchtruim in, en ineens overdonderde mij een pijnlijk inzicht: vissers houden helemaal niet van vissen! Vissers zijn gek op de bezigheid, het jagen, het besodemieteren, terwijl de extase van de vogelaar de diertjes zélf betreft. Daarom willen vogelaars dolgraag een keertje als nachtegaal of blauwborstje door de hemelen suizen en de sterren kussen. Maar of die knikkebollende commando als een schubkarper door deze modderpoel wil waden...