Opinie

De spilzucht van de nieuwe rijken

Michel Krielaars

‘De geschiedenis herhaalt zich nooit, de mens altijd.’ Die woorden van Voltaire las ik in A distant mirror. The calamitous 14th century (vertaald als De waanzinnige veertiende eeuw) van de Amerikaanse historica Barbara Tuchman. Door die ene zin uit dat beroemde boek, waarin de grote pestepidemie van 1348-1350 een hoofdrol speelt, besefte ik ineens dat de mens zich na de bezwering van de coronapandemie toch echt niet anders zal gaan gedragen. Tuchman versterkte mijn overtuiging door ook nog een historicus van de Eerste Wereldoorlog aan te halen, die de nasleep van deze 20ste-eeuwse ramp vergeleek met die van de Zwarte Dood. In beide gevallen stuitte hij op ‘economische chaos, sociale onrust, hoge prijzen, woekerwinsten, verdorven moraal, gebrek aan productie, industriële indolentie, bezeten vrolijkheid, ongeremde uitgaven, luxe, losbandigheid, sociale en religieuze hysterie, hebzucht, inhaligheid, wanbestuur, verval van goede manieren’.

Als je 1918 doortrekt naar 2020 staat ons dus nog wat te wachten. Want ook na afloop van de coronapandemie kun je ongetwijfeld rijm met het verleden herkennen. Tuchman laat goed zien dat de geschiedenis als wetenschap weliswaar geen wiskundige rekenmodellen hanteert, maar dat de mens door de eeuwen heen te betrappen is op een nogal constant gedrag.

Zelf verdiep ik me dezer dagen in de negentiende en begin twintigste eeuw, om al even schokkende overeenkomsten met het heden te ontdekken. Zo lees ik de roman Effingers (1951) van de onlangs herontdekte en in 1982 overleden Duitse schrijfster Gabriele Tergit. Behalve een epos over een welgestelde Joodse familie in het Duitsland van de jaren 1878-1948, is het een sociale roman over de groeiende kloof tussen rijk en arm in het industrialisatietijdperk, de spilzucht van de nieuwe rijken, de grootheidswaan van sommige regeringsleiders, de roep om een socialistische revolutie, de toenemende afgunst van de lagere middenklasse jegens iedereen die het beter gaat, de haat tegen een minderheid tijdens een economische malaise.

Over die periode gaat deels ook Verzamelen, nadenken, opschrijven. Een keuze uit het werk van H.L. Wesseling samengesteld door Willem Otterspeer. In dit mooie eerbetoon aan de in 2018 overleden historicus, die behalve een voortreffelijk auteur ook een meester van de ironie was, staan ook een paar niet eerder gebundelde artikelen. Een daarvan is zijn Leidse oratie 1870 in de geschiedschrijving. Hierin behandelt hij onder meer de ontwrichting van de Europese samenleving door zowel de industriële revolutie als de opkomst van de massamaatschappij. Alle onheil voor de volgende tachtig jaar zit in dat ene jaar vervat. Zo haalt Wesseling de geniale Britse politicus Benjamin Disraeli aan, die over de Frans-Duitse Oorlog van 1870 voorspellend zei: ‘Deze oorlog vertegenwoordigt de Duitse revolutie, een grotere politieke gebeurtenis dan de Franse revolutie van de vorige eeuw.’

Zelf schrijft Wesseling dat Europa na 1870 gepreoccupeerd raakte door gevaar: ‘Publicaties over het Amerikaanse gevaar en het Slavische gevaar, maar vooral ook over het joodse gevaar en het gele gevaar waren niet van de lucht.’ En: ‘Het belangrijkste gevaar ten slotte kwam vanbinnen, namelijk het gevaar van revolutie.’ Bijna vergat ik dat hij het over 1870 had.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.