Recensie

Recensie

Sport in de oorlog – of de jaren waarin Feijenoord thuis was in Amsterdam

Tweede Wereldoorlog In de oorlogsjaren floreerde de Nederlandse sportwereld. Veel competities gingen gewoon door – en er waren drie Elfstedentochten op rij.

Beslissingsduel in 1941 in de Kuip tussen ADO en DHC, in de strijd om het kampioenschap in de westelijke eerste klasse.
Beslissingsduel in 1941 in de Kuip tussen ADO en DHC, in de strijd om het kampioenschap in de westelijke eerste klasse. Foto Spaarnestad/HH

In tegenstelling tot het coronavirus leidde de Duitse bezetting niet tot stillegging van de sportactiviteiten in Nederland. In cijfers uitgedrukt waren de oorlogsjaren zelfs een heel mooi tijdperk voor de vaderlandse sport: het aantal beoefenaars steeg tussen 1942 en 1945 van bijna 560.000 tot ruim 730.000.

Het is een van de vele opmerkelijke feiten die sporthistoricus Jurryt van de Vooren presenteert in Door Wilskracht Zegevieren – Sport in de Tweede Wereldoorlog. Van de Vooren doet al 25 jaar onderzoek naar het onderwerp en „de combinatie van ouderwets archiefwerk en nieuwerwetse data-onderzoeksmethoden” resulteerde in dit boek, niet geheel toevallig 75 jaar na de bevrijding. Een andere reden voor publicatie dit voorjaar: zonder coronavirus was Den Haag in mei gastheer geweest van de Invictus Games, „een internationaal sportevenement voor militairen met zware fysieke en geestelijke verwondingen van de oorlogen van ónze tijd”.

Gehandicaptensport

De opkomst van de internationale gehandicaptensport zoals we die nu kennen, is een direct gevolg van WO II. Van de Vooren vertelt onder meer het verhaal van beroepsmilitair en ruiter Charles Pahud de Mortanges. Deze viervoudig olympisch kampioen raakte na de capitulatie betrokken bij de verpleging van Nederlandse soldaten „die leden aan de lichamelijke gevolgen van de oorlogsdagen tussen 9 mei en 15 juni 1940”.

Pahud de Mortanges had in 1938 zijn rechterpols zodanig geblesseerd dat artsen een amputatie overwogen. Een behandeling in een Duits revalidatieoord voorkwam dit zwarte scenario. Door deze ervaring vroeg geneesheer C. Kroon hem te komen helpen in Huize Kareol, een herstellingsoord in Aerdenhout. De mannen ontwikkelden samen „een behandelmethode met sport en massage” en zorgden ervoor dat de patiënten, via wedstrijden in verschillende takken van sport, in contact bleven met de buitenwereld – in die jaren was het gewoonte om invaliden buiten de maatschappij te houden. Zonder het pionierswerk van Pahud de Mortanges en Kroon waren de Paralympische Spelen wellicht niet ontstaan in 1960.

Feijenoord in Amsterdam

Voetbal was tijdens de oorlogsjaren de populairste sport in acht van de elf provincies. In het noorden waren schaatsen (Groningen en Friesland) en turnen (Drenthe) favoriet. De voetbalcompetitie ging na de Duitse inval ook gewoon door, al zagen clubs zich regelmatig voor logistieke problemen gesteld. Het eerste elftal van Juliana, een club uit de buurt van Kerkrade, zat tijdens de kampioenscompetitie van 1940 voor een wedstrijd tegen GVAV vijftien uur in de bus naar Groningen.

Feijenoord (dan nog met -ij) werd „na het geallieerde bombardement van 31 maart 1943” door de Rotterdamse burgemeester gedwongen drie van de vier thuisduels in de strijd om de titel elders te spelen. Twee keer speelde Feijenoord ‘thuis’ in Amsterdam, waar de club „zéér populair is” zoals De Revue der Sporten in die dagen schreef.

De Rotterdammers wonnen van Heerenveen in hun enige thuiswedstrijd ooit in De Meer, het stadion van Ajax. Een paar weken later verloor Feijenoord in het Olympisch Stadion van ADO, dat voor het tweede jaar op rij kampioen werd – de enige landstitels in de historie van de Haagse club.

Schaatsliefhebbers kwamen tijdens de oorlog ook ruimschoots aan bod. Na de editie van 30 januari 1940, door Van de Vooren „vanwege de heersende mobilisatie” aangemerkt als „oorlogstocht”, werd de Elfstedentocht ook in de twee daaropvolgende jaren verreden. De wedstrijd groeide dankzij de landelijke radioverslagen uit tot een „nationaal gebeuren”.

In 1942 werden de circa vijfduizend deelnemers door de Friese organisatie vanuit Leeuwarden om veiligheidsredenen zuidwaarts gestuurd, richting Sneek, IJlst en Sloten. Een jaar eerder, toen de Tocht ‘Om de Noord’ ging, waren er op het smalle stuk boven Dokkum „vreselijke ongelukken met half afgesneden vingers, gekneusde ledematen en open wonden aan het hoofd” omdat wedstrijdrijders op de terugweg uit Bartlehiem op toerschaatsers inreden. De volgende Elfstedentocht, deo volente, gaat ook „zeker Om de Zuid, dankzij de ervaringen van 1941”.

Joodse sporters

Vanzelfsprekend is er ook ruim aandacht voor „de Joodse sporters, vrijwilligers, donateurs en supporters”, die tijdens de oorlog werden vermoord, terwijl de Nederlandse sportwereld doordraaide. Van de Vooren waagt zich niet aan een morele veroordeling over sport in oorlogstijd. Het is al moeilijk genoeg om er grip op te krijgen, leerde hij van zijn scriptiebegeleider.

Dat blijkt. De personen, jaartallen, plaatsen en organisaties duwen elkaar in dit boek bijna van de pagina’s. Alsof de auteur een kwart eeuw kennis in ruim tweehonderd pagina’s heeft willen proppen. Een scherpere keus tussen de gebeurtenissen had een minder fragmentarisch werk opgeleverd. Volgende keer beter, want laat duidelijk zijn: over sport in de Tweede Wereldoorlog kan niet genoeg worden geschreven.