Chen Reis: „Met kennis kun je ver komen, met verbeelding overal.”

Foto Paul Marc Mitchell

Interview

Sopraan Chen Reiss: ‘Zang: adem die de ziel naar het licht draagt’

Interview Chen Reiss Op haar nieuwe album ‘Immortal Beloved’ beleeft sopraan Chen Reiss haar eigen prille liefdes opnieuw dankzij onbekende aria’s van Beethoven. „Hij zoekt altijd naar de bronnen van ons bestaan.”

Op haar nieuwe album Immortal Beloved toont zangeres Chen Reiss een Beethoven die we nog niet zo goed kennen: de schrijver van aria’s en orkestliederen. „Op zijn zestiende verklankte Beethoven zijn prille liefdeservaringen in Primo amore – dat toen een Duitse tekst had – en meteen al in die bruuske, hartstochtelijke stijl die hem zou blijven kenmerken. Maar het drama van de aria is doorleefd en invoelbaar, ook twee eeuwen later. Het riep onmiddellijk beelden op aan hoe mijn eigen tienerillusies over eeuwige trouw schipbreuk leden, nadat mijn eerste vriendje me in de steek had gelaten voor een ander.”

Reiss groeide op langs de stranden van de Israëlische havenstad Herzliya; een poëtische ziel die haar hart verloor aan klassieke muziek en aan het geruis van de branding. „Ik verlang altijd naar de nabijheid van water”, zegt ze. „Er gaat een grote betovering vanuit, omdat het voortdurend verandert maar in de kern hetzelfde blijft. Water is paradoxaal, fascinerend en tegelijkertijd bezit het een krachtige eenvoud. Ik woon op drie plekken. In Londen, met een smal kanaal achter ons huis. In Wenen, dat wordt doorsneden door de rivier Donau. En in Herzliya, waar ik kan staren over zee. Water voedt soil en soul, aarde en ziel.”

Haar moeder is accordeoniste, pianiste, muzieklerares en zong in het theater, maar onderwees haar dochter nooit zelf. Reiss begon als vijfjarige op de piano. „Mijn moeder nam me al snel mee naar concerten van het Israël Philharmonic. Daar ontdekte ik de instrumentale Beethoven, de man van de absolute muziek, en later raakte ik ook in de ban van Mahler, die andere symfonische reus.”

Op haar zestiende koos Reiss voor haar stem. En na de dienstplicht vertrok ze naar New York voor een zangstudie. Met een diploma op zak zwierf ze verder naar Europa, waar ze onderdak vond bij de Bayerische Staatsoper in München. Vanuit de Zuid-Duitse stad veroverde ze de grote podia met haar kristalheldere sopraan. Een wereldwijd televisiepubliek leerde Reiss ruim vijf jaar geleden kennen, toen paus Franciscus haar uitnodigde om het ‘Et incarnatus est’ uit Mozarts Grosse Messe te zingen tijdens de kerstmis in de Sint Pieter.

Lijfstukken

Diens Pamina in Die Zauberflöte zong Reiss bij De Nationale Opera en de sopraan schitterde een paar jaar terug met het Koninklijk Concertgebouworkest in Mahlers Tweede en Vierde Symfonie, twee van haar lijfstukken. „Bij componisten als Beethoven en Mahler hoor ik hoe ze hunkeren naar hereniging met de kracht die hen heeft geschapen en waarnaar beiden wilden terugkeren. Ze zoeken onvermoeibaar de bronnen van ons bestaan”, zegt ze. „En in het lied Urlicht verklankt Mahler dat verlangen zelfs letterlijk: ‘Ik kom van God en wil weer tot God.’”

Reiss zingt de beginregel van de slotstrofe uit Mahlers Opstandingssymfonie. „Sterben werd’ ich um zu leben! Sterven zal ik om te leven. Aangekomen bij deze uitbarsting van het koor, wordt mijn blik altijd glazig door de opwellende tranen. Hier gebeurt iets raadselachtigs: de muziek laat ons opstijgen. Evenmin als Beethoven en Mahler verlaat ik me op de religieuze machtsstructuren die beweren te spreken namens een god. Maar ik geloof wel in spiritualiteit, in een allesomvattend mysterie. Ik voel haar nabijheid soms bij het zingen. In het Hebreeuws is er slechts één letter verschil tussen het woord ‘ziel’ en ‘adem’: de jod, waarmee Gods naam begint. Zang betekent voor mij: de adem die de ziel naar het licht draagt.”

Innerlijk zoeken

In ware kunst – zoals die van Beethoven en Mahler – vloeien heden, verleden en toekomst samen, gelooft ze. „Omdat deze componisten zin en betekenis zochten in de stilte van hun eigen hart. Tegenwoordig gaan mensen zo gebukt onder het bombardement van prikkels van buitenaf, dat ze er nauwelijks nog toe komen hun eigen innerlijke wereld te bezoeken en te verkennen. En we gaan richting een samenleving – schrijft Harari in Homo Deus – waarin de computer met zijn algoritmen ons zal vertellen wat we voelen. Hij zal ons beter doorgronden dan wij onszelf. Wat ik in Beethoven en Mahler bewonder, is hun ijzeren wil om in zichzelf te graven. Met kennis kun je ver komen, met de verbeelding overal. Mahler voert ons zelfs naar de hemel in zijn Vierde Symfonie, en Beethoven spiegelt ons een visioen van een paradijs op aarde voor in de ‘Ode an die Freude’ in zijn Negende.”

Lees ook: Beethoven 250 jaar. De geniale componist in 9 eigenschappen

De wereld en de mens zijn als water, vindt Reiss: veranderlijk maar met een vaste kern. „Wie zijn we? Wat doet er werkelijk toe? Dat zijn vragen die we onszelf elke dag zouden moeten stellen. Want het leven raast voorbij. De ene keer ten goede, de andere keer ten kwade.”

We moeten de ogen niet sluiten voor de vooruitgang en tegelijkertijd moeten we uitkijken, vindt Reiss, dat we mens blijven, dat we onszelf niet verliezen in een digitaal bestaan, een wereld uitgedrukt in enen en nullen. „Ik gun het mijn twee jonge dochters dat ze soms even stilstaan om de geur van een roos te inhaleren, of te luisteren naar het gezang van de zee waar ikzelf als kind zo van kon genieten. Je hebt geen geld of computer nodig om jezelf te kunnen vinden.”

Immortal Beloved. Orkestliederen en aria’s van Ludwig van Beethoven door sopraan Chen Reiss en de Academy of Ancient Music o.l.v. Richard Egarr.