Raad van State: mijnschade niet verjaard, vergoeding huiseigenaren

Steenkolenmijnen Het ministerie van Economische Zaken vond dat de verjaringstermijn van 30 jaar is verstreken bij schade door de Limburgse mijnbouw. De Raad van State denkt daar anders over.

Mijnschade aan een huis aan in het dorp Rimburg, gemeente Landgraaf.
Mijnschade aan een huis aan in het dorp Rimburg, gemeente Landgraaf. Foto Chris Keulen

Een aantal Limburgse huizenbezitters heeft alsnog recht op een vergoeding uit het Waarborgfonds mijnbouwschade. Dat heeft de Raad van State woensdag bepaald.

Het ministerie van Economische Zaken stelde zich op het standpunt dat de klagers op grond van verjaring geen geld meer konden krijgen.

De steenkolenmijnen in Zuid-Limburg (Sittard-Geleen, Heerlen en omstreken) sloten tussen 1966 en 1974. In de zaak bij de Raad van State gaat het om twee huiseigenaren in Kerkrade die schade ondervinden van een boorgat van de Domaniale Mijn, die in 1969 dichtging. Economische Zaken hield vast aan die sluitingsdata. Met een verjaringstermijn van dertig jaar betekende dit dat niemand meer zijn recht op een vergoeding kon laten gelden.

Scheuren en verzakkingen

Mijnschade is ontstaan door de delfstoffenwinning die lange tijd plaatsvond. In onderaardse gangen werden na gebruik plafonds opgeblazen, waardoor ze gevuld werden met brokstukken. In de decennia daarna is die nieuwe laag zich gaan zetten, waardoor bovengronds scheuringen en verzakkingen aan gebouwen ontstonden. In gangen en schachten, die niet werden dichtgemaakt, liepen na het stoppen met pompen in de jaren negentig langzaam vol met mijnwater, waardoor de bodem ook ging bewegen.

Juist daardoor is, zo oordeelt de Raad van State, onmogelijk te achterhalen of schade korter of langer dan dertig jaar geleden is ontstaan. Hoeveel panden precies last hebben van de gevolgen is niet duidelijk.

Lees een verhaal over Limburgers met schade: Na een tijdje zie je overal mijnschade

De Raad van State rekt in de uitspraak ook de reikwijdte van de term ‘zaakschade’ in de Mijnbouwwet op. Die had tot nu toe betrekking op aantoonbare, reeds veroorzaakte schade en de daaruit volgende waardevermindering van een woning. De Raad van State vindt dat het daarmee niet ophoudt. Zijn er eenmaal problemen met de gevolgen van een boorgat, dan zijn nieuwe aantastingen waarschijnlijk. Daarom wordt ook verminderde verkoopwaarde als gevolg van mogelijke toekomstige aantastingen tot de zaakschade gerekend.

Voor immateriële schade als verminderd woongenot kan geen verhaal worden gehaald bij de overheid. Problemen moeten ook aantoonbaar zijn. Alleen het wonen in risicogebied, de voormalige Mijnstreek, is niet voldoende.

Bewoners van beschadigde huizen moeten per direct geld krijgen voor periodieke controles van hun woningen. Het ministerie van Economische Zaken moet binnen twaalf weken uitsluitsel geven over de hoogte van de vergoeding voor de waardevermindering van de huizen.

De provincie Limburg vergoedde de juridische kosten van de Kerkradenaren die eerder al bij een lagere rechter in het gelijk werden gesteld. Verantwoordelijk gedeputeerde Andy Dritty (Wonen en Ruimtelijke Ordening) is tevreden over de uitspraak van de Raad van State: „Het is fair dat deze mensen de schade vergoed krijgen.” De provincie wil de komende tijd nog verder kijken naar het nu gestelde over gederfd woongenot en vergoedingen voor bewoners van de Mijnstreek die (nog) geen schade hebben, maar mogelijk wel hun de waarde van hun huis zien teruglopen.