Het ziekenhuis dat niet dacht: is het echt zo erg?

Zorg Binnen de muren van het Amphia Ziekenhuis in Breda werd corona eerder serieus genomen dan erbuiten. „Je moet niet zijn waar de bal is, maar waar die naartoe gaat.”

Het Bredase Amphia Ziekenhuis heeft binnen een paar dagen een ongelooflijke crisisorganisatie opgetuigd.
Het Bredase Amphia Ziekenhuis heeft binnen een paar dagen een ongelooflijke crisisorganisatie opgetuigd. Foto John van Hamond

Vóór corona fietste Ferdinand Timmer (41) naar het Amphia Ziekenhuis op de Langedijk in Breda. Deze dag fietst hij verder, naar het hoofdgebouw. Hij werkt sinds drie weken op de spoedeisende hulp. Daarvoor kwam hij er ook, maar dan als KNO-arts (keel, neus, oor). Dan „rende hij in en uit”, zegt hij. „Bloedneusje, ontsteking, dat soort dingen.” Deze dag is Timmer geen medisch specialist. Hij vervult een rol als basisarts, eigenlijk zoals tijdens zijn co-schappen zo’n vijftien jaar geleden.

Het Bredase Amphia Ziekenhuis heeft binnen een paar dagen een ongelooflijke crisisorganisatie opgetuigd. Meer dan honderd artsen en verpleegkundigen kregen een nieuwe plek in het ziekenhuis. Het is onderdeel van een strategie om op tijd groot uit te pakken en zo de virusuitbraak voor te blijven. Zeker in de beginfase werd corona binnen de muren van het ziekenhuis serieuzer genomen dan erbuiten.

Timmer ziet met name coronapatiënten en rapporteert aan een longarts of internist. Uit zijn jaszak steekt een stethoscoop. „Ik heb er thuis even mee geoefend op familie, het was lang geleden.” Op de afdeling lopen ook een kaakchirurg, een plastisch chirurg, een orthopeed, radioloog en zelfs een patholoog rond (een arts die in het laboratorium weefsel onderzoekt).

Hoe kwam deze rigoureuze aanpak van Amphia tot stand?

Christianne Lennards weet nog precies waar ze was. Zaterdagavond 29 februari was het bestuurslid van Amphia bij vrienden in Nijmegen, voor een etentje. Jan Kluytmans, arts-microbioloog, hing ineens aan de telefoon. „Nou Christianne”, zei hij, „misschien speelt er toch wel iets meer”.

Ze leefden toen nog een ander Nederland. Twee dagen eerder was de allereerste coronabesmetting vastgesteld: een man uit Loon op Zand die in Noord-Italië was geweest. Het RIVM zat nog volop in de strategie van het virus beheersen met contactonderzoek. Maar Kluytmans kreeg signalen dat er misschien ook iets had gespeeld met carnaval. „Als jij dat zegt, Jan”, zei Lennards, „dan komen we morgen bij elkaar. Je moet niet zijn waar de bal is, maar waar die naar toe gaat. We moeten een beetje gaan snappen waar de bal naartoe gaat.” Ze dacht dat Johan Cruijff dat ooit zei, en misschien zei hij het net even anders. In ieder geval had ze de uitspraak omarmd als motto.

Lees ook: De pijnlijke afweging in verpleeghuizen: demente oudere mag niet meer ronddwalen

Op zondag om vijf uur naar huis

De volgende dag, een zondag, zitten ze om 13 uur bij elkaar in het ziekenhuis: het bestuur, medisch-specialisten en managers. Kluytmans zit erbij en een expert in infectiepreventie.

Ze nemen beslissingen die later belangrijk zullen blijken. Alle patiënten met luchtwegklachten in het ziekenhuis worden voor de zekerheid getest op Covid-19. Een andere beslissing: elke medewerker die hoest of een beetje een snotneus heeft, moet naar huis. Ze mogen pas terugkomen als ze beter zijn of getest en virusvrij. Het is dan vijf dagen voordat het RIVM adviseert om thuis te blijven met klachten. Die zondagmiddag gaat het team pas om vijf uur naar huis.

De volgende dag is er een medewerkersbijeenkomst met leiddinggevenden en medewerkers over het coronavirus. De zaal zit hutjemutje vol. Niet handig, zo blijkt, wanneer op dinsdag en woensdag de eerste testuitslagen komen. Er hebben al drie medewerkers corona, van wie slechts één in het buitenland is geweest. De anderen hadden alleen carnaval gevierd.

Lennards herinnert zich hoe ze die week met andere ziekenhuizen in de regio en de gemeente belt. Ze stelt voor om een gezamenlijk beleid te voeren. Geen handen schudden, grote vergaderingen alleen nog via videobellen, waar mogelijk afstand houden van 2 meter en nog maar één bezoeker per patiënt. „Als we het nou samen doen”, hoort ze zichzelf weer zeggen, „dan kunnen we het in de krant zetten en snapt iedereen het beter.” Ze krijgt het er op dat moment nog niet door. „Iedereen had iets van tut, tut, pfoe, pfoe. Weet je het wel zeker?”

De volgende dag is er een bijeenkomst over het coronavirus. De zaal zit hutjemutje vol

Kluytmans werkt met epidemiologische modellen verschillende scenario’s uit voor de ‘bestuursraad’ – in het ziekenhuis worden beslissingen genomen door een groep van zowel het bestuur als een aantal medisch-specialisten. „Wij kregen buikpijn van het verhaal van Jan”, zegt Amphia-bestuurslid Lennards. „Wij zagen dat we iedere week een verdubbeling van patiënten zouden kunnen krijgen.”

Het is nog in de week voordat de premier Nederlanders vraagt geen handen meer te schudden. De bestuursraad beslist om direct medewerkers van operatiekamers les te geven in het bedienen van beademingsapparaten. „Het was toen nog relatief rustig op de intensive care”, zegt Roos Leber, bestuurslid. „Als we dat nu nog moesten doen, hadden we het er niet bij kunnen hebben.”

In de weken erop breidt het ziekenhuis langzaam de intensive care uit. Verkouverkamers (uitslaapkamers na een operatie) die niet meer in gebruik zijn, worden intensivecarebedden. Elke dag is er crisisvergadering en wordt voetbal aangehaald. „Zijn we nog vóór de bal?” Bestuurslid Leber: „We hebben geprobeerd de rust te bewaren. Artsen kunnen goed omgaan met een crisissituatie, maar moeten wel het gevoel hebben dat zij en het ziekenhuis in control zijn.”

Foto John van Hamond

Krap met capaciteit

Rond het weekend van 21 maart gaat het ineens heel hard met patiënten. Zijn er op 19 maart nog 40 bevestigde coronabesmettingen, op 24 maart zijn het er al 74. Tegelijk komen er van de andere kant van Brabant, bij het Bernhoven ziekenhuis in Uden, berichten dat de staf het overzicht verliest. Voor ernstig zieken die geen corona hebben is bijna geen plek meer. „Wij zijn vier muren met daarbinnen alleen maar besmette patiënten”, waarschuwt een traumachirurg van Bernhoven in een webinar.

Lees ook: De week van een ziekenhuisdirecteur: een ramp in slow motion

Ook Amphia komt krap te zitten met capaciteit. Ze zijn niet meer ‘waar de bal heengaat’, een ongemakkelijk gevoel. Dat weekend oppert een gynaecologe in de bestuursraad om aan elke vakgroep van medisch specialisten te vragen of ze een kwart van hun mensen willen inleveren voor coronazorg. Er vindt in een paar dagen een omslag plaats die anders jaren had gekost. Zo’n zeventig artsen krijgen, op vrijwillige basis, een nieuwe plek op de spoedeisende hulp of bij speciale afdelingen voor coronapatiënten. Daarnaast verhuizen in die periode tientallen verpleegkundigen van andere afdelingen naar de ‘covid-toren’, een bijnaam voor de ziekenhuistoren waar vier verdiepingen komen vol te liggen met coronapatiënten.

Medisch specialisten helpen patiënten te verplaatsen, bloed te prikken en diagnoses te stellen, onder supervisie van een hoofdbehandelaar. Is dat niet moeilijk, na jaren een ander vak? „In beginsel wel”, zegt Robert Wagenmakers, orthopeed en lid van de bestuursraad. „Een oogarts ziet niet iedere dag mensen met longproblemen. Maar we hebben online trainingsmodules klaargezet met praktische instructies. En de longartsen hebben bijvoorbeeld een spoedcursus gemaakt over het onderzoek naar deze patiëntgroep.”

KNO-arts Timmer was blij dat hij nog wat oude studieboeken in de kast had staan. „Mensen hebben naast het coronavirus vaak andere problemen zoals COPD, hartklachten, suikerziekte. Ziektes die ik normaal gesproken niet zie.”

De crisisorganisatie wordt teruggedraaid

Wat scheelt, zegt hij, is dat hij alleen verantwoordelijk is voor een goede overdracht. Hij hoeft niet te weten hoe een beademingsapparaat werkt. „Het ziekenhuis heeft een hiërarchische structuur opgetuigd en iedereen past zich netjes in”, zegt Timmer. „Een KNO-artsvan ruim 60 jaar rapporteert aan een bijna dertig jaar jongere longarts, dat maakt niet uit.”

Nu de ergste storm is gaan liggen, begint het ziekenhuis de crisisorganisatie voorzichtig terug te draaien. Er zijn minder medisch specialisten nodig op de spoedeisende hulp. Fijn voor Timmer, hij wil graag zijn eigen werk weer oppakken. „We hebben op de KNO-afdeling inmiddels een behoorlijke wachtlijst doordat we al drie weken nauwelijks opereren. Dat betreft mensen met chronische oorontstekingen of bijholte-ontstekingen. Complicaties daarvan zijn al snel ernstig, omdat het in je hoofd zit.”

Door de maatregelen is Amphia niet ‘overspoeld’ geraakt door corona. Het ziekenhuis heeft ongeveer net zoveel patiënten moeten verplaatsen naar andere ziekenhuizen als ervan kunnen overnemen. Een deel was ook „mazzel”, zegt Leber. „Wij zijn een groot ziekenhuis met een nieuw pand vol eenpersoonskamers. Bij kleinere ziekenhuizen zit er gewoon minder rek in.”