De bezorgster zou ‘geen cent meer vangen’

Economie en recht Deze rubriek belicht elke week kwesties uit het bedrijfsleven waarover de rechter zich onlangs uitsprak. Ditmaal arbeidsrecht.

Foto Miodrag Ignjatovic

Huilend verlaat de vrouw, een bezorgster voor een horecabedrijf met een nulurencontract, haar werk. Een van de eigenaren had gezegd haar niet meer op te roepen en „dat ze geen cent meer zou vangen”. De vrouw werkte al meer dan een jaar gemiddeld 32 uur per week. Een dag later, 26 juni 2017, bezorgt haar partner een brief waarin ze onder meer schrijft: „Ik ben bij u in dienst geweest als bezorgster. De arbeidsovereenkomst is geëindigd.” De baas vat de brief op als opzegging en roept haar niet meer op.

Maar was die brief een opzegging? Die vraag moest het hof in Den Bosch onlangs beantwoorden. In het arrest wijst het hof erop dat in de brief van de vrouw „niet valt te lezen dat zij de arbeidsovereenkomst wenst te beëindigen”.

Volgens het hof had het bedrijf moeten navragen of ze die intentie had, en dat is niet gedaan. Het bedrijf verzuimde bovendien de vrouw in te lichten over de gevolgen van opzegging – een verplichting voor werkgevers. Dat ze huilend de zaak verliet, had „extra reden” moeten zijn om na te gaan of ze zelf haar baan wilde opzeggen.

Aangezien de vrouw al in de zomer van 2017 had aangegeven beschikbaar te zijn voor werk, de arbeidsovereenkomst niet correct is beëindigd en dus nog van kracht is, én het oproepwerk structureel van aard was, heeft de vrouw recht op doorbetaling van haar loon.