Anderhalve meter afstand houden bij een popconcert?

Anderhalvemetersamenleving in de kunst Is het mogelijk om bioscopen, concertzalen, theaters, pophallen en musea zo in te richten dat er publiek binnen kan komen? Is dat rendabel? Een rondgang door de sector.

Loek Buys, directeur van Theater Junushoff in Wageningen liet foto’s op de wél voor bezoekers beschikbare stoelen in zijn theater te plaatsen, in een „uitverkochte zaal”.
Loek Buys, directeur van Theater Junushoff in Wageningen liet foto’s op de wél voor bezoekers beschikbare stoelen in zijn theater te plaatsen, in een „uitverkochte zaal”. Foto Rita van Biesbergen

Concerten met verspreid zittend publiek in driekwart lege zalen. Eenrichtingsverkeer in musea. Mondkapjes op trompetten, om de condens van blazers op het podium tegen te houden. Op velerlei wijzen is de cultuursector zich aan het voorbereiden op de anderhalvemetersamenleving.

Hoe kunnen cultuurliefhebbers straks, als de veiligheidsmaatregelen iets worden versoepeld, weer worden bediend? Voor bioscopen en de musea zijn de mogelijkheden ruimer dan voor theaters en concertzalen, blijkt uit een rondgang. Ideeën voor een alternatief en veilig cultuuraanbod zijn er volop. Maar voor een passend verdienmodel heeft niemand een oplossing. Laat staan dat de gederfde inkomsten van de maandenlange gedwongen sluiting van theaters en musea kunnen worden gecompenseerd.

„Een anderhalvemetersamenleving is voor geen enkele evenementenorganisator een financieel droommodel”, zegt Jurry Oortwijn van Paradiso, het Amsterdamse poppodium, met gevoel voor understatement.

Woensdagavond zegde minister Van Engelshoven (Cultuur, D66) alsnog 300 miljoen euro aan steun toe. Dat geld moet de ergste pijn in de kunsten verlichten. Er komt geld voor het ophogen van de subsidies voor de instellingen die rijkssubsidie ontvangen, voor de ring van kleinere instellingen daaromheen en voor de festivals, die meerjarig worden ondersteund door de zes rijkscultuurfondsen.

Naar die hulp, die deels in de vorm van leningen wordt verstrekt, was wekenlang hartstochtelijk verlangd. Het geld verhelpt niet dat het normale contact tussen de kunsten en het publiek verbroken is en dat vooruitzichten op herstel van dat contact nog altijd problematisch zijn. Dat betekent dat er ook steeds weer nieuwe verliezen aankomen. Is dat te verhelpen?

Een inventarisatie per sector:

Poppodia Sfeerverlies is struikelblok

Een rockshow met zweet aan het plafond, een meute moshende hiphoppers voor een podium en jazzliefhebbers die bovenop muzikanten zitten en sámen de muziek beleven – het lijkt uitgesloten in de anderhalvemetersamenleving. Poppodia staan voor een buitengewoon lastige opgave, zeggen betrokkenen.

Danny Damman, commercieel directeur bij Ziggo Dome, de concerthal in Amsterdam-Zuidoost (capaciteit 17.000 bezoekers), vertelt hoe zijn bedrijf de vele knelpunten inventariseert. „Hoe kunnen muziekfans op een veilige manier vanaf de trein naar de zaal, het wachten voor de deur, de kaartcontrole, het fouilleren, de horeca. Maar ook: is er een werkbare situatie voor crewleden te creëren? En wat de zit- en staanplaatsen betreft: neem de tribunes. Een snelle berekening leert dat we bijvoorbeeld daar een capaciteit van minder dan 25 procent overhouden.”

Overal voldoende afstand creëren, het lijkt soms onmogelijk. Zo is de Amsterdamse poptempel Paradiso (capaciteit 1.500 bezoekers) gevestigd in een rijksmonument. „We kunnen niet zomaar een muurtje eruit slaan om de smalle gang naar de garderobe te verbreden”, zegt Jurry Oortwijn, hoofd publiciteit en marketing.

Paradiso onderzoekt de haalbaarheid van een alternatieve programmering die eventueel aangevuld kan worden met live streams. Zouden optredens enkel met zitplaatsen zijn, dan zou dat met veel minder dan de gebruikelijke 650 stoelen zijn. Wegen de kosten bij zo’n bezoekcijfer nog wel op tegen de baten?

Dat is een probleem waarmee ook Peter van der Aalst worstelt, de interim-directeur van 013 Tilburg (3.000 bezoekers). „Er zijn allerlei creatieve ideeën mogelijk, maar bottom line is dat het altijd leidt tot meer kosten en minder opbrengsten. Want: veel minder mensen in de zaal, minder omzet aan de bar, et cetera.”

Het sfeerverlies van een goeddeels lege zaal is minstens zo’n struikelblok, benadrukken de betrokkenen. Mijke Loeven, directeur van jazzpodium Bimhuis in Amsterdam (380 bezoekers): „Wij proberen magische momenten tussen muzikanten en publiek te organiseren. Muziek sámen beleven, dat is de essentie. Dat kun je niet half doen.”

Lees ook: De culturele sector lijkt nog niet gered

Laten we daarom even wachten met welke eisen de overheid straks komt, en voor hoe lang die gelden, is het voorstel van Peter van der Aalst van 013. „Dan kunnen we branchebreed naar oplossingen zoeken, en is niet iedereen hetzelfde vierkante wiel aan het uitvinden.”

Concertzalen Miniconcertjes

Het Koninklijk Concertgebouworkest maakte een berekening. Met anderhalve meter tussenruimte passen op een maximaal uitgebouwd podium van het Concertgebouw in Amsterdam precies 50 musici. Lastig, want het orkest telt 120 leden.

Voor de Grote Zaal zijn de berekeningen niet minder zorgwekkend. Met de nieuwe afstandsregel moeten daarin 1.750 van de 2.000 stoelen onbezet blijven.

Voor orkesten zijn passende inkomsten dus een illusie in de anderhalvemetersamenleving, zegt David Bazen, interim-directeur van het Concertgebouworkest. Per seizoen genereren de orkesten in Nederland 30 miljoen aan eigen inkomsten. Die zou de overheid nu moeten afdekken, zegt Bazen. „Voor een land als Nederland een investering die makkelijk te dragen is.”

Janneke Staarink, algemeen directeur van de Doelen in Rotterdam, ziet één lichtpuntje. „De beruchte grootte van onze zaal is nu een kracht. En een plicht. Mensen snakken naar live-concerten.”

Naar verwachting mogen in de Doelen straks nog tussen de 350 en 500 bezoekers tegelijk naar binnen. Een verspreid zittend orkest op het podium en een driekwart lege zaal heeft akoestische implicaties, zegt Staarink. Maar erger is dat alles geld gaat kosten.

Het Muziekgebouw aan ’t IJ in Amsterdam denkt aan nieuwe formules, zegt zakelijk directeur Boudewijn Berentsen. „Wij hebben een gigantisch gebouw en denken aan looproutes langs mini-concertjes op meerdere locaties in het gebouw. Het punt is: die bezoekers moeten gecontroleerd naar binnen en ze willen in de pauze een drankje en naar de wc. Logistiek wordt dat een monsteroperatie. Een lopend buffet, een toiletjuffrouw: we werken die scenario’s allemaal uit. Maar vinden de mensen dat nog een avondje uit? Dat is de grote vraag.”

Ook op andere wijzen wil het Muziekgebouw veilige concerten aanbieden. In het gebouw, maar ook door middel van mini-ensembles bij mensen thuis, of online met een virtualrealitybril. „Je moet als zaal zichtbaar blijven, dat is cruciaal.”

Het Concertgebouworkest overweegt ook om met een klein publiek opnamen te maken. Als in de Grote Zaal de stoelen zijn verwijderd, past op de vlakke vloer gemakkelijk het hele orkest – en het klinkt ook goed. „Optreden zonder publiek is voor de musici wel een mentale killer”, zegt directeur Bazen. „Maar een select publiek is misschien juist spannend.” Al resten er ook dan nog veel vragen: „Wat doe je met de condens van blazers? Mondkapjes op de trompetten? Schermen ertussen?”

Theaters Onderzoeken wat wél kan

Illustraties Kamagurka

Een economisch verantwoorde theatervoorstelling in de anderhalvemetersamenleving, geen theaterdirecteur die weet hoe het moet. Dat zegt Nico Baars van Theater De Naald in Naaldwijk. „Ons theater wordt geroemd om zijn intimiteit, daar begint het al mee. Dat betekent dat wij geen enorme foyer en niet vijftien toiletgroepen hebben.”

In zijn zaal met 400 stoelen kan hij rekening houdend met anderhalve tussenruimte maximaal 90 tot 100 bezoekers kwijt. Baars: „En hoe ga ik de mensen op tijd naar binnen en naar buiten krijgen? Dat is geen ontspannen avondje uit, dat is een militaire operatie. In de supermarkt en bij de bakker is iedereen geduldig en gewillig, maar wat als het regent?”

Groter dilemma is de financiële onhaalbaarheid van zo’n magere zaalbezetting. Bij de gemiddelde zaalbezetting van 85 procent heeft De Naald slechts een marge op de kaartverkoop van 6,5 procent en daar moeten alle kosten nog vanaf. Dat maakt alle opbrengsten uit horeca en verhuringen cruciaal. Met een zaalbezetting van circa 20 procent en wegvallende horeca-inkomsten draait het theater gegarandeerd verlies, zegt Baars.

Zijn collega Charles Droste, directeur van Theater de Amphion in Doetinchem, antwoordt langs dezelfde lijnen. Er is „geen reële optie”, zegt hij. Met als extra complicatie: „Hoe moet ik voor de geplande voorstellingen in juni en juli bepalen wie wel en niet naar binnen mag? Dat leidt tot willekeur.”

Ook de Amsterdamse theaters Bellevue, Kleine Komedie en Carré hebben geen rendabele, definitieve oplossing, maar ze hebben de handen ineengeslagen om binnen de regels toch een perspectief te bieden. De directeuren Madeleine van der Zwaan (Carré), Vivienne Ypma (Kleine Komedie) en Jeanette Smit (Bellevue) gaan, zodra dat kan, voorstellingen uit de twee kleine theaters overhevelen naar Carré. Als meerdaags festival, met meerdere voorstellingen per dag.

Daartoe wordt Carré zo ingericht dat er, met inachtneming van die anderhalve meter afstand tussen bezoekers, toch nog 450 mensen in kunnen (op een normale capaciteit van 1.700 stoelen). „Van roepen wat er niet kan word je niet vrolijker”, zegt Van der Zwaan. „We doen dit omdat we graag willen onderzoeken wat er wél kan, om de moed erin te houden en om de bezoeker te laten zien dat theater in deze barre tijd onderdeel van het leven kan zijn.”

Zodra het mag van de overheid gaat het initiatief van start. Dat kan al 2 juni zijn. „De artiesten die we erover hebben gesproken zijn enthousiast.”

Het plan van de drie theaters is een tiendaags festival, met drie tot vijf voorstellingen per dag. De benedenzaal krijgt een nieuw stoelenplan, waarbij de huidige stoelen eruit gaan. Van der Zwaan: „We creëren door de hele zaal een systeem van zones van één stoel of setjes van twee of drie stoelen, voor stelletjes of familie.”

Eenmaal binnen is de bewegingsvrijheid beperkt: het publiek wordt via looproutes geleid naar de zaal. Het helpt dat het pand en de zaal meerdere ingangen hebben. Andere knelpunten, zoals de toiletten en de horeca, zullen op dezelfde manier opgelost moeten worden. Tussen de voorstellingen door wordt er de tijd genomen om de zaal te reinigen.

Of het publiek het aandurft, is een vraag die op voorhand niet te beantwoorden is. Van der Zwaan: „Het is misschien niet voor iedereen, maar de veiligheid van de bezoeker staat bij ons voorop en dan is er toch een groep die snakt naar de kans om een voorstelling te bezoeken. En er ontstaat ongetwijfeld een bijzondere sfeer en energie in de zaal, omdat je met zijn allen weet onder welke bizarre omstandigheden de voorstelling plaatsvindt. Ook voor de artiest is de nieuwe inrichting een uitkomst, want die zit niet tegen lege stoelen aan te kijken.

Rendabel is het initiatief niet, zegt de directeur resoluut. Is het wel verstandig dan? „Wat is verstandig? Het is voor negen dagen en we werken zo efficiënt mogelijk. Alle betrokkenen doen wat water bij de wijn. In deze nieuwe werkelijkheid, waarin het voor iedereen in de kunst buitengewoon zwaar is, doen we wat we kunnen.”

Voor haar eigen theater speelt Ypma met het idee om via een videoverbinding cabaretiers te laten optreden. Club Haug in Rotterdam past dat inmiddels al toe, met toeschouwers die betalen voor de verbinding.

Musea Looproutes, tijdblokken

Grote musea moeten bezoek gaan spreiden, zowel in tijd als in ruimte. Kleinere musea kunnen volstaan met gedragsaanpassingen. Neem De Lakenhal in Leiden, dat gemiddeld enige honderden bezoekers per dag trekt. Directeur Meta Knol somt de maatregelen op: voorlopig geen groepsactiviteiten, duidelijke veiligheidsinstructies voor bezoekers en suppoosten trainen in het handhaven daarvan.

Of het Design Museum Den Bosch. De gemiddeld 300 bezoekers per dag zullen bij heropening met de ruime lift naar de tentoonstellingszalen worden geleid en met de trap omlaag. En de vijf interactieve elementen in de verlengde zomerexpositie Bodydrift laat directeur Timo de Rijk buiten gebruik stellen. „Een wasmachinetrommel waar iedere bezoeker zijn hoofd in kan steken, dat moeten we voorlopig maar niet willen.”

Grote musea ontkomen niet aan verdergaande maatregelen. Het Kunstmuseum Den Haag (580.000 bezoekers in 2019) kan uit veiligheidsoverwegingen straks nog slechts maximaal 800 bezoekers per dag ontvangen, zegt directeur Benno Tempel. Dat maakt een reserveringssysteem met tijdblokken noodzakelijk. In de entree zullen komende en gaande bezoekers gescheiden worden en onderzocht wordt of een verplichte looproute door het museum nodig is.

Het Kunstmuseum is gevestigd in een monumentaal gebouw van Berlage. Verbouwd gaat er niet worden, zegt Tempel, en de bewegwijzering moet „dus wel esthetisch verantwoord zijn”.

Museum de Fundatie in Zwolle (258.000 bezoekers) werkt met kleine bouwkundige ingrepen al aan een eenrichtingspad door het museum en een gescheiden in- en uitgang. Directeur Ralph Keuning: „Binnen een week hebben we deze aanpassingen voor elkaar. Daarna willen we zo snel mogelijk testen of het ook werkt.”

De kleinere musea zijn optimistisch over hun bezoekcijfers. De Rijk van het Design Museum: „Kunstliefhebbers zullen naar een uitje snakken.” Maar het Kunstmuseum en de Fundatie houden rekening met een halvering van het aantal bezoekers. Met grote gevolgen voor de begroting, zegt Keuning: „Tweederde van onze inkomsten verdienen we zelf. Minder bezoekers drukt dus zwaar. We zullen onze kosten moeten minimaliseren. Bij grote tentoonstellingen bijvoorbeeld minder dure bruiklenen aanvragen.”

Lees ook: Onenigheid bij bioscopen: hoe ziet de 1,5-metercinema eruit?

Bioscopen Desinfectiezuilen

De bioscoopbranche heeft het duidelijkst voor ogen hoe het ‘nieuwe bioscoopbezoek’ eruit gaat zien. Afgelopen week stuurde de Nederlandse Vereniging van Bioscopen en Filmtheaters (NVBF) een Protocol verantwoord bioscoop- en filmtheaterbezoek’ naar het ministerie van OCW. Het tien A4’tjes tellende protocol is opgesteld door Pathé, met dertig bioscoopcomplexen marktleider in Nederland.

Als bioscopen weer beperkt open mogen kan volgens het protocol een derde van het normale aantal filmvoorstelllingen plaatsvinden en een kwart van de stoelen worden verkocht, met een maximum van honderd stoelen per zaal. De ticketverkoop verloopt liefst online, posters en raam- of grondstickers geven looproutes door de filmcomplexen aan. ‘Eenrichtingsverkeer’ is daarbij de norm, goede planning voorkomt dat bezoekstromen elkaar kruisen. Bij ‘desinfectiezuilen’ kunnen bezoekers hun handen reinigen, deurknoppen en railings worden regelmatig gepoetst.

De kleinere, onafhankelijke bioscopen en filmtheaters zijn ongelukkig met het protocol. Zij vrezen niet het geld en de ruimte te hebben voor de voorgestelde veiligheidseisen, terwijl de steun om door de crisis te komen wegvalt.

Bestuursvoorzitter Winnie Sorgdrager van de NVBF erkent dat veel kleinere bioscopen niet aan de eisen kunnen voldoen. „Vermoedelijk kunnen niet alle bioscopen tegelijk in één klap open.” Dus is het plan wellicht niet in ieders belang. „Maar we geven ook wat geld aan de Filmkrant, daar hebben grote bioscopen weer niet zo’n belang bij.”

Friederike Weisner van het Nederlands Filmtheater Overleg (NFO), zelf directeur van De Lieve Vrouw in Amersfoort, bevestigt ook dat bij de herstart grote ketens in het voordeel zijn. „Filmtheaters werken met oudere vrijwilligers en hebben vaak ook een wat ouder publiek. Het zijn veelal verouderde gebouwen met kleine zaaltjes en sluip-door kruip-door-gangen.”

Het filmaanbod belooft hoe dan ook heel mager te zijn, met distributeurs die hun interessante titels doorschuiven naar betere tijden. Een rustig museum kan volgens Weisner een pré zijn, maar is film nog leuk en sexy met driekwart lege zalen, bar noch restaurant en gevaar voor besmetting? „Ik geloof absoluut dat de mensen terugkomen. Maar hoe en wanneer?”

Met medewerking van Amanda Kuyper, Arjen Ribbens, Ron Rijghard, Mischa Spel en Coen van Zwol.