Soli Culture Dance Troupe in Rufunsa.

Foto Michael Baird / SWP Records

Interview

Afrikaanse muziek redden van de moderne vergetelheid

Michael Baird ‘Field recordist’ De Zambiaans-Britse Nederlander Michael Baird reist met een microfoon door centraal en zuidelijk Afrika op zoek naar verdwijnende muziek. Volgens de jazzdrummer verdrukt de globalisering het cultureel erfgoed. „Over dertig jaar is het meeste weg.”

Vijf jaar lang, sinds de dood van zijn vrouw, had Alban Kateta Kapemba niet meer op zijn kangombio-duimpiano gespeeld. Maar als er opeens een Zambiaans-Britse Nederlander met een microfoon in zijn dorp staat, die hem na een lange zoektocht heeft gevonden, gaat de 83-jarige snel op zoek naar het membraan van de eierzak van een spin dat een essentieel geluidseffect aan het instrument moet meegeven. Die moet wel nog uitharden en hij moet even oefenen. Morgen klinkt het beter, belooft Kapemba.

De volgende dag neemt de witte microfonist, Michael Baird, muziek op die afsteekt tegen de vogelgeluiden en verre kinderstemmen van het dorp. De elf basale noten van de duimpiano piepen en kraken, de drie hoge noten zorgen voor een fascinerende melodie en ritmiek. Het is een eeuwenoud samenspel van een afwijkende toonladder en in elkaar grijpende maatsoorten. Het is maar net op tijd vastgelegd. In heel Barotseland, de westelijke provincie van Zambia, vindt Baird tijdens zijn veldonderzoek in 2018 nog maar drie spelers van de kangombio. Alle drie waren ze de tachtig gepasseerd.

„Het is een culturele tragedie als het verdwijnt”, zegt Michael Baird (65) in zijn oefenruimte, een vroegere hooischuur even buiten Utrecht. „Het muzikale concept is zo uitzonderlijk, het is eeuwenoud minimalisme.”

Alban Kateta Kapemba met zijn kangombio duimpiano.

Foto Michael Baird / SWP Records

Baird is jazzdrummer en labeleigenaar. En hij is ‘field recordist’, een haast uitgestorven beroep. Hij neemt onbekende muziek op, niet omdat hij per se wil conserveren, zegt hij, maar omdat hij de muziek die hij goed vindt wil delen. „Dat is wat musici onderling doen; elkaar toffe dingen laten horen. Als die muziek al was opgenomen, prima, dan kon ik naar de winkel. Maar ik ben een van de zeer weinigen ter wereld die nog de Afrikaanse bush in trekt om oude en nieuwe muziek te ontdekken en op te nemen.”

Fucking hiphop

Op zijn label SWP Records bracht hij in maart twee boeken met totaal acht cd’s en een elpee uit. Het staat vol fascinerende, maar voor Europese oren onwennige Zambiaanse muziek. Van duimpiano’s tot vijf meter lange xylofoons gemaakt van junglemateriaal en eensnarige muziekbogen. „Het gaat razendsnel, over dertig jaar is het meeste weg. Wanneer jouw hofmuziek, ceremoniële muziek en rituele muziek er niet meer is, is je cultuur in problemen. Zeker in sub-Sahara-Afrika waar veel kennis, wijsheid en geschiedenis niet op schrift staat, maar vastligt in muziek.”

Gitarist Kabanga Jones Mufrika Edward met kalimba duimpiano en percussionist/ veldonderzoeker Michael Baird.

Foto Michael Baird / SWP Records

Eerder gaf hij al ruim zestig andere platen uit. Naast zijn eigen werk van de jazzgroep Sharp Wood uit de jaren tachtig, zijn het voornamelijk veldopnames uit Zimbabwe, Congo, Malawi en Zambia, het land waar hij, zoon van Britse ouders, geboren werd. Zijn moeder was verpleegster, zijn vader arbeidsinspecteur van de toenmalige koloniale macht. „Tot mijn zesde speelde ik met zwarte vriendjes, daarna moest ik naar de Europese school. Ik moest opeens schoenen aan. Mijn vriendjes gingen – blootsvoets – naar de Afrikaanse school. Als kind voel je dat het niet klopt: wij hadden alles, zij een potloodje als ze geluk hadden. Mijn ouders waren redelijke mensen, maar om me heen hoorde ik andere Britten: ‘Hun muziek is primitief, en trouwens, ze zijn dom’.”

Later verhuisde het gezin naar Nederland, waar Baird jazzdrummer werd. In 1994 ontmoette hij Andrew Tracey, de zoon van Hugh Tracey die naast de Amerikaanse ‘songhunter’ Alan Lomax misschien wel de beroemdste field recordist is. In de jaren veertig en vijftig doorkruiste Tracey centraal en zuidelijk Afrika op zoek naar de ook toen al verdwijnende volkscultuur. Baird bezocht Traceys archief dat Andrew beheerde en ontdekte dat de kwaliteit van de originele banden hard achteruitging. In de loop van acht jaar zou hij 22 cd’s vol gedigitaliseerd archiefmateriaal van Tracey uitbrengen. En hij trad in diens voetsporen.

‘Het muzikale concept van de kangombio is zo bijzonder. Het is eeuwenoud minimalisme’

„De trieste conclusie is dat de meeste muziek die hij zestig jaar eerder had opgenomen nu inderdaad verdwenen is”, vertelt Baird. „Bijna alle lamellofoons (duimpiano’s), de hofmuziek van Oeganda, de bangwe zither uit Malawi… Wat een sound! Maar het is weg, of zo goed als weg.”

Missionarissen die de ‘duivelsmuziek’ verboden waren de eerste boosdoeners, daarna het (post-)kolonialisme, nu globalisering. Baird wil geen purist zijn, volgens hem is het „heel gezond” dat volksmuziek evolueert, dat het invloeden van buitenaf in zich opneemt. „Maar hoe snel zogenaamde ontwikkelingslanden urbaniseren en globaliseren is een ramp. Ze willen verwesteren en in een noodtempo graag. En dus willen alle jongeren die fucking hiphop en elektronica.” Hij snapt het wel, alles beter dan die oude troep van je ouders, maar het tempo zorgt volgens hem voor identiteitsverlies.

Navelstreng

Het koloniale denkpatroon is op veel Afrikanen overgeslagen, merkt Baird. „Er is een minderwaardigheidsgevoel over de eigen cultuur.” Hij ziet het tijdens zijn opnametrips. De lange tochten over weggespoelde wegen, langs krokodillen („veel lawaai maken’’) en witchdoctors („die moet ik te vriend houden, ze kunnen me vergiftigen”) naar een dorp waar hij hoorde over een muzikant of stijl, leveren niet altijd wat op. „Er is een gebrek aan trots voor de eigen culturele identiteit.”

Maar inmiddels kent hij zijn weg. „Vaak moet ik naar het dorpshoofd of de Big Chief, dan ga ik op mijn knieën, introduceer me volgens de lokale etiquette en steek mijn verhaal af. Als ik geluk heb, zegt het hoofd: ‘Zo, deze blanke man komt van heel ver naar ons. Hij is in Zambia geboren, zijn navelstreng ligt begraven onder een grote boom in Lusaka, maar hij komt nu van ver om ons te vertellen hoe belangrijk onze cultuur is. En hij heeft verdomme gelijk! Hij opent ons de ogen!’”

In dat geval kan Baird gaan opnemen. Zijn researchtrips financiert hij zelf, uit de opbrengst van het label. „Ik betaal de muzikanten altijd. Het zijn mijn collega’s. Ze willen nooit royalty’s, maar cash. Meestal is er geen elektriciteit in zo’n dorp, laat staan dat ze een bankrekening hebben. Ik betaal goed in verhouding tot de lokale economie. Als ik voor een uur werk een maandsalaris betaal, geeft dat al een schokgolf van jaloezie in zo’n dorp.”

Dat zijn eigen werk – de bush in gaan om muziek van de vergetelheid te redden – ook als postkoloniaal kan worden gezien, vindt hij onzin. „Ik ben gewoon op zoek naar goede muziek.” Ja, hij ziet snelle globalisering als een gevaar voor culturen, maar hij wil niemand de vooruitgang ontzeggen. „Het één hoeft het ander niet uit te sluiten. Neem Japan, dat land laat zien dat je toonaangevend kunt zijn in technologische ontwikkeling en tegelijkertijd je cultureel erfgoed kunt bewaren en vieren.”

Luister hoe de kangombio klinkt

Voorouders

Dat er uit de fusie van traditie en moderne stijlen nieuwe muziek ontstaat, boeit Baird niet. „De opmars van elektronica vind ik zelden een verbetering. Je kunt het niet vergelijken met die geniale, oude muziek, die gebaseerd is op eeuwen van ontwikkeling.”

Blaird piekert er niet over om een brug te bouwen naar een groter publiek, zoals bijvoorbeeld gebeurde met de Congolese duimpianospelers van Konono No1. In de straten van Kinshasa versterkten zij hun instrumenten en werden door dj’s en popartiesten populair in Europa en Amerika, waar ze samenwerkten met onder anderen Herbie Hancock, Björk en Jeff Beck. Baird: „Nee, ik beleef geen plezier aan een groter publiek bereiken door compromissen. Soms moet je gewoon moeite doen om iets te waarderen. Wees niet lui. The real thing, daar zit de les in.”

Mufrika Edward met zijn kalimba duimpiano.

Foto Michael Baird / SWP Records

Toch, op de elpee die vorige maand verscheen, maakt hij een uitzondering. Baird wilde muziek van de enige jonge duimpianospeler in Zambia die hij kent, Mufrika Edward Mwanza (1983) opnemen, met hij zelf op percussie. Dus reed hij met de muzikant naar een studio even buiten de hoofdstad. De studio bleek weinig meer dan een hok met een kapotte versterker. Er was zelfs geen standaard voor de microfoon.

„Ik heb de kinderen buiten met snoep betaald om stil te zijn en de buurman geld gegeven om zijn televisie een uur uit te zetten. Ik heb een stuk karton op mijn knie gelegd en uit de keuken een paar pannen geleend.” De microfoon hield hij in zijn linkerhand tot de kramp kwam, met zijn rechterhand drumde hij op zijn dijen bij de duimpianosong die Mufrika van zijn vader leerde. Waarom hij dat nu wel deed en alle jaren daarvoor nooit? „Voor het eerst voelde ik me als drummer goed genoeg om mee te spelen. Ik geloof in de voorouders. Traditie is de optelsom van alle voorgangers. Het mooiste is als je daar zelf iets aan mag toevoegen.”

Luangwa to Livingstone en Music from Barotseland. Twee boeken met elk 4 cd’s, SWP Records. Inl: swp-records.com