Opinie

Sushirijst

Ellen Deckwitz

Mijn oudoom Karel (rond de honderd jaar) heeft al weken niemand gezien, wat een stuk verdrietiger klinkt dan het is: sinds zijn geboorte probeert hij de mens zoveel mogelijk te vermijden, dus het quarantainetijdperk is aan hem welbesteed. Suster Bertken (zestiende-eeuwse non die zich uit pure godsvrucht liet inmetselen) had een levendiger sociaal leven dan hij. Elke vrijdag zet ik twee grote tassen met boodschappen voor zijn deur. Aanvankelijk leek hij dankbaar maar de laatste tijd krijgt hij praatjes.

„Je bent de gedroogde cantharellen vergeten”, klaagde hij vrijdagavond over de telefoon, „en ook de ingemaakte gember.”

„Die had de supermarkt niet meer”, zuchtte ik.

„Dan had je toch nog even naar de speciaalzaak kunnen gaan.”

„Wat ga je straks maken”, zei ik maar.

„Sushi!” juichte hij.

„Ik vind het nog steeds knap dat je ondanks die drie jaar in het kamp geen hekel hebt aan Japan”, zei ik.

„Je kan een hele cultuur niet verwerpen omdat er toevallig een paar rotte appels waren”, zei Karel monter. „En juist dit soort tijden vraagt om sushi.”

„Hoezo?”

„Nou, allereerst is sushirijst de diva der ingrediënten: je moet haar echt met alle egards behandelen wil ze naar je luisteren. Wassen, laten rusten, wassen, laten rusten, zachtjes koken zonder deksel, roeren, zachtjes koken met theedoek om deksel, omscheppen, laten staan en uitgaren, niet te kort want anders krijg je rubberen korrels, niet te lang want anders wordt het alsnog behanglijm. Voor de beste sushirijst moet je je horloge beter in de gaten houden dan een vroedvrouw.”

„Wauw”, zei ik, “maar waarom hebben we juist nu sushi nodig? Het is toch sowieso altijd belangrijk om je bewust te zijn van het verstrijken van de tijd?”

„Ja, maar vaak ontbreekt de noodzakelijkheid. Even een minuutje niet opletten levert meestal, tenzij je een kind leert zwemmen of honderdnegentig gaat op de snelweg, niet zoveel problemen op. Door regelmatig sushirijst te maken, ontdek je hoeveel aandacht oplevert. Het is een onophoudelijke training in toewijding en alertheid. Elke stap van het kookproces is noodzakelijk en dient perfect te worden getimed. Je knoopt verschillende stadia van eindigheid aan elkaar vast, want je hoeft het spul maar net iets te lang te weken, te koken of te drogen en je kan weer overnieuw beginnen, als je tenminste hart hebt voor wat je maakt.”

„Wauw”, zei ik.

„Het zorgt dat je weer eerbied krijgt voor tijd. Als je alles goed doet ontstaat er iets dat het moment overstijgt, juist omdat alles zo snel mis kan gaan. Het levert een respect voor vergankelijkheid op. En dat is iets waar we in dit soort rare tijden vast wel iets aan kunnen hebben.”

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.