Opinie

De rij

Grunberg in New York

Een jaar of dertig geleden schreef Hugo Brandt Corstius, onder pseudoniem, een feuilleton voor NRC Handelsblad getiteld ‘De man die niet meer in de rij wou staan’. Over een inwoner van de Sovjet-Unie die naar het Westen vertrok, hij was de rijen zat.

De rij heeft het kapitalisme bereikt; hoe duurder en beter de winkel, hoe langer de rij. Voor D’Agostino, een gewone supermarkt, op de Upper West Side, vrijdagmiddag, geen rij. Iets verderop, voor Whole Foods, waar je duurder, verantwoord voedsel kunt krijgen, een lange rij. Mijn leraar Frans vertelde dat twee vrouwen in Whole Foods met elkaar gingen vechten, omdat de een vond dat de ander te weinig afstand hield. De politie werd gebeld.

Zaterdagmiddag, de markt op Union Square, een rij van een man of vijftig.

Op Washington Square is live muziek, jazz. Alleen de dealers zijn er niet.

Voor Trader Joe’s, een supermarkt, op de hoek van Spring Street en 6th Avenue, een rij van zeker vier blokken.

We kunnen grappen uit de Sovjet-Unie gaan maken. Staan twee mannen in de rij. Vraagt de een: „Waarvoor is deze rij eigenlijk?” Zegt de ander: „Geen idee, maar hij is twaalf blokken lang, dus het zal wel speciaal zijn.”

’s Avonds bel ik met een kennis die op een ambulance rijdt. „Een kwart van mijn collega’s is ziek of heeft zich ziek gemeld”, zegt hij. „Sommige mensen zijn bang. Ik neem het hun niet kwalijk.”

Op paaszondag ga ik naar Brighton Beach, de Russische buurt. Op de boulevard is het verantwoord druk. Russen, vrome joden, een enkele skater. Op een bankje zit een dame in een roze trainingspak met een Russische krant. Ze heeft haar gebit niet in. Dan valt het me op, niemand eet of drinkt meer op straat. Zij wel, ze lurkt aan haar heupfles.

Schrijver Arnon Grunberg woont in New York City. Op deze plek schrijft hij over de impact die het coronavirus heeft op het leven daar.