Jos de Blok, directeur van thuiszorgorganisatie Buurtzorg

Interview

Thuiszorgdirecteur: ‘Er is een enorme inschattingsfout gemaakt’

Jos de Blok De oprichter van thuiszorgorganisatie Buurtzorg snapt de mondkapjesschaarste niet. Zijn organisatie deelt ze volop uit. „De meeste besmettingen gebeuren door zorgverleners. Er is een enorme inschattingsfout gemaakt.”

Tekort? Welk tekort? Bij Buurtzorg hebben ze mondkapjes zat. „We delen ze overal uit. Wij hebben in Almelo ook nog duizend liter handgel staan”, zegt oprichter Jos de Blok van thuiszorgorganisatie Buurtzorg.

Hij is nog gewaarschuwd: wees voorzichtig met wat je zegt. Er bestaat angst onder deskundigen om het kabinetsbeleid af te vallen, beseft hij. Maar op deze Tweede Paasdag bij hem thuis weet De Blok heel goed wat hij wel en niet kan zeggen. Hij waakt ervoor om individuen of instanties aan te vallen, maar tegelijkertijd groeide de laatste maanden zijn frustratie over de crisisaanpak. En die wil hij kwijt.

Buurtzorg is, met ruim vijftienduizend werknemers en meer dan 400 miljoen euro omzet, een van de grootste zorginstellingen van Nederland. Dat gebeurt met zo min mogelijk management: wijkverpleegkundigen maken zelf hun planning binnen kleine, vrij zelfstandig opererende teams. Daarvan bestaan er inmiddels meer dan duizend in Nederland.

Bij Buurtzorg, zegt De Blok, hadden ze al in een vroeg stadium in de gaten hoe ernstig de situatie kon worden. Ze zagen het van dichtbij via hun vestigingen in China en Taiwan. Buurtzorg regelde zelf voor de medewerkers de mogelijkheid om zich te testen, want volgens de landelijke richtlijnen kwamen de meesten nergens voor in aanmerking. En ze verwachtten bij Buurtzorg dat het bestellen van beschermingsmiddelen op termijn heel moeilijk zou worden. Dus gingen ze ook nog zelf mondkapjes maken.

Die mondbescherming heeft volgens De Blok een belangrijke functie. „Het is heel goed als je als wijkverpleegkundige zelf erover nadenkt wanneer volgens jou in welke situatie het gebruik van een kapje zinvol is. Door dat bewust te doen, ervaar je minder stress en meer veiligheid. Wij hebben gewoon gedacht: je beschermt in ieder geval cliënten als je een zelfgemaakt mondkapje draagt. Het is ook psychologisch. Op het moment dat je een kapje op hebt, ga je niet aan je neus zitten.”

Er lopen tienduizenden mensen rond in de verpleeghuizen en in de wijk die zich afvragen: ben ik wel goed beschermd?

Zulke kapjes voor eigen gebruik geven juist het risico van schijnveiligheid, zeggen experts van het RIVM en de Wereldgezondheidsorganisatie

De Blok: „Daar ben ik het niet mee eens. Wij zien door de aandacht voor de kapjes en het zelf maken van die kapjes juist een bewustzijn ontstaan.”

De GGD waarschuwt voor ‘overbescherming’: schaarse mondkapjes gebruiken waar het niet nodig is.

„Dat is niet oké. Er lopen tienduizenden mensen rond in de verpleeghuizen en in de wijk die zich afvragen: ben ik wel goed beschermd? Heb ik mogelijk mensen besmet? Anderhalve meter afstand houden is onmogelijk als je mensen verzorgt.”

U bent ook gebeld door de Inspectie, dat de mensen bij Buurtzorg te veel beschermd worden.

„Ik zie de RIVM-richtlijn voor het gebruik van beschermingsmiddelen als een minimum. Je besluit zelf als organisatie wat nodig is ter bescherming van je cliënten en je medewerkers. Ik zei tegen de inspectie: ‘Het is onze verantwoordelijkheid dat onze medewerkers zich veilig voelen’.”

Maar als er elders tekorten zijn, is dat dan niet asociaal?

„Wij werken met zelfgemaakte kapjes, dus wij verdringen niet de kapjes die nodig zijn op de intensive care.”

De gemaskerde medewerkers van Buurtzorg veroorzaken onbegrip bij collega’s van andere organisaties: waarom zij van Buurtzorg wel en wij niet? „Ik kreeg de afgelopen weken telefoontjes van collega’s hierover, heb ze toen onze aanpak uitgelegd. En het verschilt per situatie: voor een huishoudelijke hulp is het echt niet nodig zo’n kapje te dragen. Je hoeft niet dicht bij mensen te komen. Maar dat geldt weer niet voor mensen met dementie. Want die kan je als huishoudelijke hulp niet uitleggen dat ze op anderhalve meter moeten blijven.”

Het ministerie probeert eerst landelijk beschermingsmiddelen en dergelijke in te zamelen, om ze daarna te herverdelen. Is dat geen goed idee?

„Daar heb je bepaalde kennis en ervaring voor nodig. Als je de distributie en al die logistieke processen nog moet leren, is het geen goed idee om dat midden in een crisis te doen. Het is absurd dat alle zorgverzekeraars buiten beeld zijn. Die hebben veel verstand van de markt voor hulpmiddelen: over de tarieven, het aanbod, de marktstructuur. Ik weet niet waarom zij er niet bij betrokken zijn. We hebben wel de experts van het virus aan de knoppen, maar niet de experts in distributie. Er is een gelegenheidsconsortium ontstaan met onder meer KLM, Rabobank, Coolblue, de TU Delft. Allemaal ondernemers, logistieke experts, distributiespecialisten. Van die vakmensen wordt nog weinig gebruik gemaakt.

„Wij zitten als Buurtzorg op duizend plekken in Nederland, die moeten elke dag bevoorraad worden. Wij hebben ons eigen logistieke centrum. De mensen die dat doen, zijn daar heel goed in. De schaarste komt ook door de verkeerde infrastructuur.”

Maar dat tekort is er nu eenmaal, dat zijn de problemen van vandaag.

„Schaarste is een soort mantra geworden. Maar je moet denken in mogelijkheden. Je hebt creatievelingen nodig, ondernemers. Het oplossend vermogen, waar we normaal zo bekend om staan, wordt nu enorm afgeremd door alleen maar vanuit protocollen te denken. Kijk naar het buitenland. Waarom kunnen ze in Oostenrijk al de regels versoepelen? Kijk naar Denemarken, dat heeft een lange geschiedenis van preventie. Zijn mondkapjes schijnveilig? De Britten hebben onderzocht dat ze soms nuttig kunnen zijn.”

Met die centrale aansturing van mondkapjes zie je mensen niet voor vol aan

Maar de schaarste is er nog steeds.

„Er worden beschermingsmiddelen gedeeld tussen zorginstellingen, buiten de coördinatiecentra om. Een bevelstructuur verhoudt zich niet tot zelforganisatie op basis van solidariteit. Het werkt veel beter als iedereen zijn eigen wegen zoekt, in plaats van binnen een ambtelijke structuur te wachten op wat de overheid levert. Ga niet wachten totdat het ROAZ [Regionaal Overleg Acute Zorg, red.] belt. Van zo’n bureaucratische aansturing raakt iedereen gefrustreerd. Daar vergader je met tien à vijftien bestuurders over een paar schorten. Dat schiet niet op. Ik vind het beter om íets te doen dan om niets te doen. Met die centrale aansturing zie je mensen niet voor vol aan. Ik begrijp heel goed dat het ministerie onder grote druk staat. En dat je dan probeert de juiste keuzes te maken. Maar centralisatie is de grootste valkuil.”

Minister Hugo de Jonge (Volksgezondheid, CDA) zei vorige week dat hulpverleners met milde klachten niet thuis kunnen gaan zitten, dan vallen de verpleeghuizen stil.

„Er zijn gezinnen waarin de partner hartpatiënt is en uit de buurt van de verpleegkundige in het gezin blijft. Die gevolgen worden enorm onderschat. Zorgverleners denken inderdaad eerst aan een ander en dan pas aan zichzelf. Wij moeten dus heel erg voor hen zorgen. Dat is een maatschappelijke opdracht.”

„Als mensen feestjes blijven geven, heeft dat tot gevolg dat wij als wijkverpleegkundigen niet meer komen. Dan worden onze medewerkers onnodig een risico voor anderen. Wijkverpleegkundigen komen overal over de vloer en door gebrekkig testbeleid weten we niet wie er wel of niet besmet is.

„De meeste besmettingen gebeuren door zorgverleners. Er is een enorme inschattingsfout gemaakt. Er lopen nu mensen rond die emotioneel belast zijn omdat ze niet weten of ze bepaalde patiënten hebben besmet die overleden zijn. Die last moet je serieus nemen. Uitingen van GGD, RIVM of Inspectie over ‘overbescherming’ of ‘schijnveiligheid’ vind ik dan eigenlijk misplaatst.”

Aanvulling (14 april 2020): De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd bevestigt dat er contact is geweest met Buurtzorg over beschermingsmiddelen, maar herkent zich niet in het beeld dat Jos de Blok schetst. De Inspectie zegt juist voor meer beschermingsmiddelen in de thuiszorg te pleiten.